Einde inhoudsopgave
Verzekering verzekerd? (R&P nr. FR13) 2015/2.6.2
2.6.2 Compositieverbod
mr. N. Lavrijssen, datum 15-01-2015
- Datum
15-01-2015
- Auteur
mr. N. Lavrijssen
- JCDI
JCDI:ADS613783:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Verzekeringsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Dat levensverzekeraars en schadeverzekeraars een vergunning nodig hebben om het verzekeringsbedrijf uit te mogen oefenen, vloeit voort uit art. 2:27 lid 1 Wft.
Art. 2:28 lid 1 en 2 Wft.
Dit betekent overigens niet dat financiële conglomeraten - zoals een bank-verzekeraar - niet zijn toegestaan. Sinds 1990 is een verstrengeling van bankieren en verzekeren niet langer verboden maar onderworpen aan een verklaring van geen bezwaar. Van den Hurk 2013, p. 342.
Art. 2:28 lid 3 en 4 Wft.
Art. 3:36 lid 2 sub b Wft.
Zie hierover nader paragraaf 2.7.2.
Kamerstukken II 2007/08, 31 131, nr. 6, p. 4.
Vanwege het bestaan van de verschillen in de wijze waarop de door de verzekeringnemers betaalde premies worden aangewend, geldt op grond van art. 2:28 Wft het zogenaamde compositieverbod, ook wel het combinatieverbod genoemd. Het compositieverbod houdt in dat er geen vergunning1 wordt verleend om binnen één juridische entiteit zowel het levensverzekeringsbedrijf als het schadeverzekeringsbedrijf uit te oefenen.2,3Ook wordt geen vergunning verleend voor de uitoefening van het bedrijf van een schadeverzekeraar als aan de verzekeraar in kwestie reeds een vergunning is verleend voor levensherverzekering of natura-uitvaartherverzekering en vice versa.4 Een schadeverzekeraar mag daarentegen wel als schadeherverzekeraar optreden en omgekeerd, en een levensverzekeraar mag als levensherverzekeraar optreden en vice versa.5 Dit verbod is in het leven geroepen omdat een vermenging van de uiteenlopende risico’s van levensverzekeraars versus schadeverzekeraars6 de bescherming van verzekerden in gevaar zou kunnen brengen.7