Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.3.3.1
4.2.3.3.1 Safe-arrest
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291422:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie o.a. HR 19 oktober 1988, nr. 24.942, BNB 1988/335, r.o. 4.6 en HR 4 juli 1990, nr. 27.942, BNB 1990/272, m.nt. Reugenbrink, r.o. 2.2.
HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/271, m.nt. Reugebrink, r.o. 7 (Safe). In de na het Safe-arrest gewezen jurisprudentie spreekt het Hof van Justitie ook wel van een overdrachtshandeling van de ene partij die de andere partij machtigt (in het Engels: ‘empowers’) om over het vastgoed te beschikken als ware zij eigenaar (HvJ EG 14 juli 2005, zaak C- 435/03, V-N 2005/37.21, r.o. 35 (British American Tobacco International), HvJ EU 3 juni 2010, zaak C-237/09, V-N 2010/30.13, r.o. 24 (Nathalie de Fruytier), HvJ EU 7 oktober 2010, gevoegde zaken C-53/09 en 55/09, V-N 2010/55.21, r.o. 45 (Loyalty Management UK/Baxi Group), HvJ EU 16 februari 2012, zaak C-118/11, V-N 2012/17.18, r.o. 39 (Eon Aset Menidjmunt) en HvJ EU 18 juli 2013, zaak C-78/12, V-N 2013/49.16, r.o. 33(Evita-K)). De termen ‘overdrachtshandeling’ en ‘in staat stellen’ of ‘machtigen’ sluiten uit dat diefstal van vastgoed, zoals het zogenoemde ‘landjepik’ van gemeentegrond, op grond van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn kwalificeert als een levering door de eigenaar aan de dief (HvJ EG 14 juli 2005, zaak C- 435/03 (British American Tobacco International), V-N 2005/37.21). Het is overigens opmerkelijk, zo niet onlogisch, dat het Hof van Justitie hiervoor in laatstgenoemd arrest beslissend acht dat de pleger van de diefstal enkel houder (dit is een civielrechtelijk begrip) wordt van het gestolen goed en niet de macht krijgt om op dezelfde wijze over de goederen te beschikken als de eigenaar van het gestolen goed. Het Hof had naar mening moeten volstaan met de constatering dat geen overdrachtshandeling door de eigenaar aan de dief plaatsvindt (G.J. van Norden, ‘Verschuldigdheid van BTW bij diefstal tabaksproducten’, BtwBrief 2005/27 en G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 266-267).
R.o. 9.
Reugebrink, noot bij HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/272 (Safe) en conclusie A-G Léger 19 september 2002, zaak C-185/01, ECLI:EU:C:2002:515, punt 26 (Auto Lease Holland).
HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/271, m.nt. Reugebrink, r.o. 13 (Safe).
G.J. van Norden, Het concern in de BTW (diss.), Deventer: Kluwer 2007, p. 267.
R.o. 7 en 8.
Redactie V-N, aantekening bij HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88 V-N 1990/2127, 24 (Safe).
Redactie V-N, aantekening bij HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88 V-N 1990/2127, 24 (Safe).
Reugebrink, noot bij HvJ EG 8 februari 1990, zaak C-320/88, BNB 1990/272 (Safe).
Het begrip ‘levering’ in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn is één van de weinige begrippen die in de Btw-richtlijn wordt gedefinieerd. Het is daarom evident dat dit begrip een uniebegrip is. De Hoge Raad gaat dan ook terecht uit van de plicht om het begrip ‘levering’ in art. 3 lid 1, onderdeel a Wet OB conform art. 14 lid 1 Btw-richtlijn uit te leggen.1 In het Safearrest heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het begrip ‘levering’ niet verwijst naar de (juridische) eigendomsoverdracht, maar ‘zich uitstrekt tot elke overdrachtshandeling van een lichamelijke zaak door een partij die de andere partij in staat stelt daadwerkelijk daarover te beschikken als ware zij de eigenaar van die zaak’.2 Ook zonder de overdracht van de (juridische) eigendom kan sprake zijn van de overdracht van de macht om als een eigenaar over vastgoed te beschikken.3 Door deze uitleg heeft het begrip ‘levering’ een meer economische betekenis gekregen.4 Of sprake is van een overdracht van de macht om als een eigenaar over een goed te beschikken dient de nationale rechter van geval tot geval te beoordelen aan de hand van de feitelijke omstandigheden.5 In de nadien gewezen jurisprudentie heeft het Hof van Justitie deze uitleg van art. 14 lid 1 Btw-richtlijn steeds als uitgangspunt genomen.6 Het Safe-arrest kan daarom beschouwd worden als de ‘founding stone’ van het leveringsbegrip.
Het Hof baseert zijn oordeel in het Safe-arrest op de definitie van het begrip ‘levering’ alsmede de doelstelling van de (destijds geldende) Zesde Richtlijn om het begrip ‘belastbaar feit’, het begrip ‘levering’ daaronder begrepen, te harmoniseren.7 Die doelstelling zou volgens het Hof in gevaar kunnen komen indien de vaststelling of sprake is van een levering zou afhangen van voorwaarden die van lidstaat tot lidstaat kunnen verschillen, zoals het geval is met de civielrechtelijke voorwaarden voor de eigendomsoverdracht. Het is de vraag of dit laatste argument overtuigt. Immers, indien iedere lidstaat de eigendomsoverdracht beschouwt als een levering dan is sprake van harmonisatie. Deze harmonisatie gaat alleen minder ver dan de unificatie waarvoor het Hof van Justitie in het Safe-arrest kiest. De verwijzing naar de leveringsdefinitie is naar mijn mening een sterker argument. Bours heeft er reeds op gewezen dat de definitie van het leveringsbegrip een dergelijke uitleg niet uitsluit, terwijl uit (de richtlijnhistorie van) art. 15 lid 2 Btw-richtlijn volgt dat in bepaalde gevallen ook zonder een eigendomsoverdracht sprake kan zijn van een levering als bedoeld in art. 14 lid 1 Btw-richtlijn (zie paragraaf 4.2.3.2).
Bezien we de uitleg tegen het decor van het Safe-arrest, dan doet het openhouden van de leveringspoort in deze zaak recht aan het beginsel van de fiscale neutraliteit, aangezien de koper de eigendom op elk door hem gewenst moment kon verkrijgen of (doen) overdragen. Hiermee had de koper feitelijk dezelfde beschikkingsmacht als een juridisch eigenaar. Uit het Safe-arrest blijkt evenwel niet of dit vereist is om vóór of zonder de eigendomsoverdracht een levering aan te nemen.8 En daar ligt naar mijn mening de zwakte van het Safe-arrest. Het Hof van Justitie verwijst namelijk in het geheel niet naar de opzet van (thans) art. 14 en 15 lid 2 Btw-richtlijn. Indien deze opzet in ogenschouw wordt genomen, dan blijkt dat zowel art. 14 leden 2 en 3 als art. 15 lid 2 Btw-richtlijn betrekking hebben op situaties waarbij de eigendom niet overgaat en er een gelijkstelling nodig wordt geacht om in die situaties een levering aan te (kunnen) nemen. De redactie van V-N wijst er dan ook terecht op dat als het Safe-arrest zo moet worden uitgelegd dat het er niet meer toe doet of men op enigerlei wijze de juridische eigendom kan verkrijgen of (doen) overdragen dit moeilijk te rijmen is met de richtlijnhistorie en het (huidige) art. 14 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn.9 Omdat het Safe-arrest hierover onduidelijkheid laat bestaan, heeft Reugebrink dit arrest niet zonder reden getypeerd als een ‘verbouwing van het leveringsbegrip zonder dat kan worden nagegaan of het fundament daarop is berekend’.10