Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.5.2.1
II.5.2.1 Verhouding tot plegen
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460502:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
In dit proefschrift reken ik opdrachtgevers ook tot feitelijk leidinggevers, en feitelijk leidinggevers tot de categorie daders. Zie par. II.5.4 voor toelichting op deze taxonomie.
De wetgever heeft hier voor een enigszins tautologische formulering gekozen (deelnemers die daders zijn kunnen ‘als daders’ gestraft worden). Wellicht dat het logischer was geweest om te bepalen dat deze deelnemers die dader zijn gelijk aan de pleger gestraft kunnen worden. Dan is duidelijk dat de pleger de norm is, en dat ook een minder vergaande bijdrage aan het delict kan leiden tot een maximale straf. Vgl. De Hullu 2018, p. 439, 523; De Jong 2007, p. 115-117.
De Hullu 2018, p. 437-438.
Zie hieromtrent o.a. De Jong 2007, par. 4.5; De Hullu 2018, p. 518-525; Wolswijk 2007a, p. 85; Knigge & Wolswijk 2015, p. 313. Wat betreft de overlap, in de jurisprudentie wordt met enige regelmaat zowel plegen als medeplegen primair tenlastegelegd, met ongeveer de volgende formulering “tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [delict]”. In eerste instantie heb ik me verbaasd over deze combinatie van daderschapsvormen in een enkele tenlastelegging, omdat het gaat om best wel verschillende verwijten en hetgeen bewezen moet worden voor plegen (zelf álle delictsbestanddelen vervullen, al dan niet door toerekening van de delictsgedraging) anders is dan hetgeen bewezen moet worden bij medeplegen (in nauwe en bewuste samenwerking met een ander vervullen van de delictsbestanddelen).
De Hullu 2018, p. 518-521, 525. In de bestudeerde jurisprudentie wordt met enige regelmaat primair (mede)plegen ten laste gelegd, en subsidiair feitelijk leidinggeven aan een bepaald delict. Het (mede)plegen van het primaire tenlastegelegde, werd meestal geformuleerd als “tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, [delict]”. Zie bijvoorbeeld Rb. Arnhem 12 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX7093; Hof ’s-Hertogenbosch 24 januari 2012 ECLI:NL:GHSHE:2012:BV2504; Hof Arnhem-Leeuwarden 25 januari 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:505, M&R 2017/55, m.nt. Tubbing; Rb. Oost-Brabant, 31 januari 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:420.
Uit de bestudeerde jurisprudentie blijkt dat veel feitelijk leidinggevers bijvoorbeeld ook als pleger aansprakelijk gesteld hadden kunnen worden. Hier kom ik op terug in par. II.6.2.
Maar artikel 51 Sr spreekt van het ‘begaan’ van een strafbaar feit door de rechtspersoon, hetgeen ook deelnemingsvormen openlaat.
Kelk/De Jong 2016, p. 443-445; Jörg, Kelk & Klip 2012, p. 160. Blomberg & Koopmans 2015, p. 72.
In paragraaf II.2.5 kwam reeds aan bod dat er twee soorten daders zijn: plegers en deelnemers. Plegers vervullen zelf (al dan niet door middel van toerekening) de hele delictsomschrijving. Deelnemers begaan een strafbaar feit samen met andere (rechts) personen. De strafwaardigheid van deelnemers is erin gelegen dat hun betrokkenheid het strafbare feit heeft bevorderd. Er zijn verschillende soorten deelnemers. De ‘klassieke deelnemers’ worden genoemd in artikel 47 Sr; dit zijn de medeplegers, doen plegers en uitlokkers. In 1976 is daar in artikel 51 Sr een nieuwe deelnemingsvorm bijgekomen: feitelijk leidinggeven.1
Het aanmerken van plegers en sommige deelnemers als dader, is relevant voor de strafmaat. De deelnemers die behoren tot deze categorie, dus medeplegers, doen plegers, uitlokkers en feitelijk leidinggevers, worden ‘als dader gestraft’2 en kunnen daarom, net als plegers, de maximaal toegestane straf opgelegd krijgen. Mocht in een concreet geval de deelnemer een minder substantiële bijdrage hebben geleverd aan het strafbare feit, dan is de rechter vanzelfsprekend vrij om daar rekening mee te houden in de straftoemeting. De deelnemingsvorm kan dus aanleiding geven voor een lichtere straf. Andersom kan juist het collectieve element van deelneming in sommige gevallen een ernstiger, dreigender karakter geven aan een strafbaar feit waardoor de deelneming strafverzwarend werkt.3
Er is ook een deelnemer die geen dader is, namelijk de medeplichtige. Het handelen van de medeplichtige is nog steeds strafwaardig, maar wel minder dan dat van daders. Daarom krijgen medeplichtigen één-derde korting op het strafmaximum van de hoofdstraffen (art. 49 lid 1 Sr). Bovendien is medeplichtigheid alleen strafbaar bij misdrijven, dus niet bij overtredingen (art. 48 Sr).
Er bestaat overlap tussen de daderschapsvormen.4 Een feitelijk leidinggever kan bijvoorbeeld vaak ook als medepleger worden aangesproken, en als de feitelijk leidinggever ook zelf adressaat is van de geschonden norm zal hij in de regel ook als pleger kunnen worden aangesproken. Volgens De Hullu is de overlapping geen probleem, zolang er gewaakt wordt voor dubbele aansprakelijkheid. Dit probleem doet zich bijvoorbeeld voor als iemand als functioneel pleger én als feitelijk leidinggever van hetzelfde grondfeit wordt aangesproken.5
Als gezegd hoeft een deelnemer niet (maar kan hij wel6) zelf alle bestanddelen van het delict (te) vervullen. Dus anders dan een pleger, kan een deelnemer onder omstandigheden strafrechtelijk aansprakelijk worden gesteld wanneer hij niet zelf de hele objectieve zijde van het delict vervult, de door het subjectieve bestanddeel vereiste mate van schuld bezit, of beschikt over de door het kwalitatieve bestanddeel vereiste hoedanigheid.7 Zodoende zorgen de deelnemingsfiguren voor een uitbreiding van de strafrechtelijke aansprakelijkheidsmogelijkheden ten opzichte van plegen.8 Maar let wel: deelneming is geen afsnijroute voor plegen. Het niet-vervullen van de onderdelen van de delictsomschrijving heeft ook een prijs: voor deelnemerschap gelden bovenop de delictsomschrijving aanvullende voorwaarden, waaronder het accessoriteitsvereiste en het zogeheten ‘dubbel-opzetvereiste’, waarover hierna meer, en per deelnemingsvorm bestaan ook nog andere specifieke vereisten.