Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.3:II.5.4.3.3 Geen goederenrechtelijke noch verbintenisrechtelijke verhoudingen
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.4.3.3
II.5.4.3.3 Geen goederenrechtelijke noch verbintenisrechtelijke verhoudingen
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622307:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie evenwel mijn opmerking in noot 141 van dit hoofdstuk.
Kamerstukken II 1992/93, 17141, 12, p. 39 (MvA II), Parl. Gesch. Inv. p. 1771.
Vgl. TM Boek 4 BW, p. 343: ‘Een last kan opgelegd worden in het belang van de bezwaarde zelf, voor het zieleheil of de nagedachtenis van de overledene, voor het bereiken van een bepaald doel [….].’
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De last betreft, zoals in de vorige paragraaf is opgemerkt, geen goederenrechtelijke verhoudingen en het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid geldt voor de last niet.1 Het bepaaldheidsvereiste voor de last is dan ook niet zo strikt als het bepaaldheidsvereiste dat geldt voor de erfstelling. Erflater hoeft anders gezegd degenen die op grond van de last verkrijgen in zijn uiterste wil niet zelf te hebben aangewezen. Er is ruimte voor bepaalbaarheid. Is dit dezelfde bepaalbaarheid als geldt voor legatarissen?
In paragraaf 5.3.2 zagen we dat het bepaaldheidsvereiste voor wat de legatarissen betreft, soepel opgevat kan worden, in die zin dat ‘erflater in zijn uiterste wil een derde aanwijst die zal bepalen wie van verscheiden door de erflater genoemde personen het legaat zal genieten (curs. NB)’.2 Ofwel de legataris is voldoende bepaald wanneer erflater de groep van personen, waaruit een ander de legataris vervolgens kan aanwijzen, afbakent door het noemen van de personen bij naam of in hoedanigheid (‘bijvoorbeeld mijn kinderen’). Dient voor het bepalen van degenen die op grond van een last verkrijgen ook een groep van potentiële verkrijgers door de erflater in zijn uiterste wil te worden genoemd? Of leidt de aard van de last, te weten het in het leven roepen van een verplichting waarvan geen nakoming kan worden gevorderd, ertoe dat de bepaalbaarheid voor de last nog soepeler kan worden opgevat en bijvoorbeeld ook kan omvatten het noemen van een of meerdere doelen?3 De aard van de last verzet zich mijns inziens hiertegen niet. De last betreft immers evenmin verbintenisrechtelijke verhoudingen. Hij roept enkel een verplichting in het leven, zonder vorderingsrecht. Art. 4:130 BW laat zich voorts ook niet expliciet uit over het subject van de verkrijging. Anders dan bijvoorbeeld het geval is bij het legaat, waarin in art. 4:117 BW wordt gesproken van ‘een of meer personen’. Dat art. 4:130 BW niets over het subject van de verkrijging zegt, is overigens ook niet vreemd. Een last heeft immers niet steeds het oogmerk om iemand iets te laten verkrijgen, doch roept slechts een verplichting in het leven (die kan resulteren in een verkrijging). De last kan, zoals in paragraaf 5.4.2 is opgemerkt, ook de verplichting inhouden om bijvoorbeeld een monument voor erf later op te richten of om voor een huisdier te zorgen.
Het gegeven dat de last noch goederenrechtelijke, noch verbintenisrechtelijke verhoudingen betreft, zou erop kunnen duiden dat het bepaaldheidsvereiste voor het bepalen van degenen die op grond van een last verkrijgen soepeler is dan voor het bepalen van de erfgenamen (bepaald persoon) of legatarissen (groep van bepaalde personen, waaruit vervolgens een derde de persoon die verkrijgt kan aanwijzen). Er is immers geen goederenrechtelijke aanspraak, noch een vorderingsrecht. Niettemin geldt er voor de last, zoals gezegd, wel een bepaaldheidsvereiste. Dat lijkt mij ook nodig voor bijvoorbeeld de rechter die wegens niet-uitvoering van de last de vervallenverklaring uitspreekt (art. 4:131 lid 2 BW). Dat het bepaaldheidsvereiste voor de last evenwel soepeler is dan voor de erfstelling of het legaat wordt duidelijk bij de bestudering van jurisprudentie van de Hoge Raad. Het betreft overigens jurisprudentie van (ver) vóór 1 januari 2003, waarbij derhalve de kanttekening moet worden gemaakt dat er onder het oude erfrecht lasten waren die thans als legaten worden aangemerkt. Onderscheidend criteria hierbij, naar geldend recht, is het al dan niet bestaan van een vorderingsrecht tot nakoming. Kan er nakoming worden gevorderd, dan is sprake van een legaat. Is dit niet het geval, dan is sprake van een last. In onderstaande voorbeelden, die onder oud erfrecht als last zijn aangemerkt, kan dan ook telkens de vraag worden gesteld of erflater hiermee een vorderingsrecht tot nakoming (legaat) voor ogen stond en of zij dan, zo geformuleerd, door de beugel kunnen.