Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5.2:7.5.2 Richtinggevend standaardarrest over toetsing buitenlandse opsporing
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/7.5.2
7.5.2 Richtinggevend standaardarrest over toetsing buitenlandse opsporing
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620295:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Corstens & Borgers 2011, p. 738.
Bijv. in HR 18 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1335, NJ 2000/107 m.nt. Schalken; HR 16 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1451, NJ 2000/214 m.nt. Reijntjes en HR 14 november 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX7471, NJ 2007/179 m.nt. Buruma.
Zie over de bruikbaarheid van buitenlandse onderzoeksresultaten ook Baaijens-van Geloven 2004, p. 385-420.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In HR 5 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5629, NJ 2011/169 m.nt. Schalken zijn de geldende hoofdlijnen uit eerdere rechtspraak betreffende de toetsing van opsporing met een buitenlands aspect op een rij gezet. Voor de gevallen waarin het betrokken buitenland bij het EVRM is aangesloten, biedt deze beslissing het toetsingskader voor onderzoekshandelingen die in het opsporingsonderzoek of de daaraan voorafgaande fase in het buitenland hebben plaatsgevonden. Ik citeer hier de kernoverwegingen:
‘4.3. De aard en de omvang van de rechterlijke toetsing van de rechtmatigheid van onderzoekshandelingen die hebben plaatsgevonden in het buitenland, verschillen naar gelang deze onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten dan wel onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten.
4.4.1. Ten aanzien van onderzoekshandelingen waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de buitenlandse autoriteiten van een andere tot het EVRM toegetreden staat, is de taak van de Nederlandse strafrechter ertoe beperkt te waarborgen dat de wijze waarop van de resultaten van dit onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte gebruik wordt gemaakt, geen inbreuk maakt op zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM. Het behoort niet tot de taak van de Nederlandse strafrechter om te toetsen of de wijze waarop dit onderzoek is uitgevoerd, strookt met de dienaangaande in het desbetreffende buitenland geldende rechtsregels (vgl. HR 18 mei 1999, NJ 2000/107).
Het vertrouwen dat de tot het EVRM toegetreden staat de bepalingen van dat verdrag eerbiedigt en dat de verdachte in geval van schending van enig ander recht dan zijn recht op een eerlijk proces, zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM dat hem in dat verdrag is toegekend, het recht heeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in art. 13 EVRM voor een instantie van die staat brengt voorts mee dat niet ten toets staat van de Nederlandse strafrechter of in het recht van het desbetreffende buitenland al dan niet een toereikende wettelijke grondslag bestond voor de door de verrichte onderzoekshandelingen eventueel gemaakte inbreuk op het recht van de verdachte op respect voor zijn privéleven, zoals bedoeld in art. 8, eerste lid, EVRM, en of die inbreuk geacht kan worden noodzakelijk te zijn, zoals bedoeld in het tweede lid van die bepaling. Daarbij neemt de Hoge Raad tevens in aanmerking dat (i) gelet op de rechtspraak van het EHRM aan een niet gerechtvaardigde inbreuk op het door het eerste lid van art. 8 EVRM gewaarborgde recht in de strafprocedure tegen de verdachte geen rechtsgevolgen behoeven te worden verbonden, mits zijn recht op een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM wordt gewaarborgd (vgl. EHRM 12 mei 2000, nr. 35394/ 97, NJ 2002/180 (Khan tegen Verenigd Koninkrijk) en EHRM 25 september 2001, nr. 44787/98, NJ 2003/670 (P.G. en J.H. tegen Verenigd Koninkrijk) en (ii) het in de Nederlandse strafzaak niet ten toets staande buitenlandse recht van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van een dergelijke inbreuk.
4.4.2. Ten aanzien van onderzoekshandelingen in het buitenland waarvan de uitvoering plaatsvindt onder verantwoordelijkheid van de Nederlandse autoriteiten, dient de Nederlandse strafrechter te onderzoeken of de Nederlandse rechtsregels die dat optreden normeren – waarvan de hiervoor genoemde verdragsrechten deel uitmaken – zijn nageleefd. Daarbij is van belang dat Nederlandse opsporingsambtenaren ingevolge art. 539a, eerste lid, Sv de hun bij de wet toegekende opsporingsbevoegdheden ook in het buitenland kunnen uitoefenen.
Opmerking verdient hierbij dat de vraag of door de Nederlandse opsporingsambtenaren het volkenrecht is nageleefd in die zin dat geen inbreuk is gemaakt op de soevereiniteit van de staat binnen de grenzen waarvan is opgetreden, in beginsel in het kader van de strafzaak tegen de verdachte niet relevant is, omdat de belangen die het volkenrecht in zoverre beoogt te beschermen, geen belangen zijn van de verdachte, maar van de staat op het grondgebied waarvan buitenlandse opsporingsambtenaren optreden.’
De verantwoordelijkheid voor het onderzoekshandelen is bepalend voor de omvang van de toetsing. Bij handelen onder Nederlandse verantwoordelijkheid in het buitenland wordt behalve aan de art. 6 en 8 EVRM ook getoetst aan Nederlands recht, maar kan de verdachte geen beroep doen op inbreuken op de soevereiniteit van het betrokken buitenland. Bij handelen onder buitenlandse verantwoordelijkheid is de toetsing beperkt tot eventuele gevolgen voor het recht op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM. Geen toetsing dus aan buitenlands recht en geen toetsing aan art. 8 EVRM. Voor die keuze kan steun worden gevonden in EHRM 27 juni 2000, NJ 2002/102 m.nt. Schalken (Echeverri Rodriguez v. Nederland), waarin in een Nederlands onderzoek was voortgebouwd op van de autoriteiten van de VS (dus niet een bij het EVRM aangesloten land) verkregen onderzoeksresultaten.1 Het EHRM overwoog:
‘the Convention does not preclude reliance, at the investigating stage, on information obtained by the investigating authorities from sources such as foreign criminal investigations. Nevertheless, the subsequent use of such information can raise issues under the Convention where there are reasons to assume that in this foreign investigation defence rights guaranteed in the Convention have been disrespected’.
In eerdere rechtspraak van de Hoge Raad schemerde een dergelijk model, waarin de toetsing van handelen onder buitenlandse verantwoordelijkheid beperkt is tot art. 6 EVRM soms wel door,2 maar heel scherp en expliciet werd er eerder niet voor gekozen.3
Het door de Hoge Raad in dit standaardarrest geformuleerde toetsingskader kan worden toegepast op een breed scala van internationaal opsporingsoptreden dat in Nederlandse strafzaken een rol kan spelen en geeft de feitenrechter houvast. Het arrest is beperkt tot onderzoekshandelingen in het buitenland en tot situaties waarin het betrokken buitenland ook bij het EVRM is aangesloten, maar het arrest biedt, door de duidelijke motivering, ook aanknopingspunten voor andere gevallen. Hieronder wordt aan de hand van de in het standaardarrest gehanteerde scheidslijnen het per situatie geldende toetsingskader uiteengezet. Daarbij is het zinvol ook de eerdere rechtspraak te betrekken, teneinde vast te stellen hoe deze zich tot het standaardarrest van 2010 verhoudt.