Fiscaal overgangsbeleid
Einde inhoudsopgave
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/10.3.1:10.3.1 Afwegen van beginselen van behoorlijk overgangsbeleid
Fiscaal overgangsbeleid (FM nr. 131) 2009/10.3.1
10.3.1 Afwegen van beginselen van behoorlijk overgangsbeleid
Documentgegevens:
dr. M. Schuver-Bravenboer, datum 01-02-2009
- Datum
01-02-2009
- Auteur
dr. M. Schuver-Bravenboer
- JCDI
JCDI:ADS419878:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Wetgeving
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Wat betreft het afwegen van de beginselen van behoorlijk overgangsbeleid kunnen naar mijn mening geen strikte voorrangsregels worden geformuleerd. Welk beginsel in een gegeven overgangssituatie het zwaarst moet meewegen, is tot op zekere hoogte een politieke aangelegenheid.1 De politiek heeft echter niet alle vrijheid; het non-discriminatiebeginsel en art. 1 EP EVRM dienen altijd te worden nageleefd, aangezien een schending van deze beginselen kan leiden tot een buiten-toepassing-verklaring van het overgangsregime (par. 4.3).
In de Notitie TWK is vermeld dat het steeds gaat om een afweging van belangen die zowel rechtskundig als beleidsmatig van aard kunnen zijn. Hoe deze belangen moeten worden afgewogen, is in die notitie niet uitgewerkt. Wel blijkt uit de notitie dat bij de beoordeling van terugwerkende kracht andere belangen een rol spelen dan bij de beoordeling van eerbiedigende werking.2 In de Notitie SV wordt met betrekking tot de afweging van beginselen opgemerkt dat – kort gezegd – steeds het gelijkheidsbeginsel, de aanwezigheid van gerechtvaardigde verwachtingen op het voortbestaan van de nieuwe regel en het belang van een snelle invoering van de nieuwe regel tegen elkaar moeten worden afgewogen.3 Welk gewicht evenwel aan de verschillende belangen moet worden toegekend is niet uiteengezet.
Kappelle heeft in zijn proefschrift onderzocht hoe de begrippen ‘vertrouwen’, ‘rechtszekerheid’, ‘gelijkheid’, ‘budget’ en ‘uitvoerbaarheid’ onderling moeten worden gewaardeerd als overgangsrecht voor regelgeving inzake levensverzekeringen wordt opgesteld. Uit de literatuur, parlementaire geschiedenis en jurisprudentie leidt hij af dat rechtszekerheid het zwaarst dient mee te wegen, in afnemend gewicht gevolgd door vertrouwen, gelijkheid, uitvoerbaarheid en budget.4 Gelet op de aard van de problematiek van de levensverzekeringen, deel ik de conclusie dat in beginsel aan rechtszekerheid en vertrouwen veel gewicht moet worden toegekend.5 Deze conclusie kan evenwel niet onverkort worden doorgetrokken naar andere overgangssituaties. In zijn algemeenheid kan naar mijn mening geen eenduidige leidraad voor het afwegingsproces worden gegeven.6
Uit het voorgaande volgt dat onderscheid moet worden gemaakt tussen beginselen waaraan altijd moet worden voldaan – het non-discriminatiebeginsel en art. 1 EP EVRM – en beginselen die in de afweging moeten worden betrokken doch waarvan naleving niet juridisch afdwingbaar is. Hierdoor kan de gedachte opkomen dat bij het afwegen van beginselen aan het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving het meeste gewicht moet worden toegekend. Naar mijn mening past deze gedachte echter niet binnen mijn beoordelingskader. In mijn beoordelingskader wil ik alle beginselen die van belang zijn bij het maken van een afweging op het terrein van fiscaal wettelijk overgangsbeleid betrekken. Naar mijn mening kan bij het maken van een afweging daarom niet bepalend zijn of de rechter bevoegd is aan bepaalde beginselen te toetsen. Ik ben daarom van mening dat geen rangorde tussen de verschillende beginselen van behoorlijk overgangsbeleid kan worden aangebracht en dat steeds alle relevante beginselen inhoudelijk moeten worden beoordeeld. Hierbij geldt het beginsel van overeenstemming met hogere regelgeving als een ‘minimumnorm’ waaraan moet worden voldaan.