Einde inhoudsopgave
Quasi-erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2006/VI.7
VI.7. Het ‘kaartenhuis-karakter’
prof. mr. F.W.J.M. Schols, datum 24-03-2006
- Datum
24-03-2006
- Auteur
prof. mr. F.W.J.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS582734:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor het eerst over dit fenomeen als estate-planningsinstrument, Van der Stok, ,Het vruchtgebruik-tegen-inbreng-blote-eigendom (turbo)testament, WFR 6183 (1996). Hij tuigde deze constructie op met als doel het besparen van successierecht.
Het is mogelijk ook de rechtsopvolgers van C in de making te betrekken of een ‘derde trap’ te benoemen.
Hier is sprake van een legaat ten laste van de erfgenaam onder ontbindende voorwaarde ten behoeve van de erfgenaam onder opschortende voorwaarde.
In Duitsland wordt de erfrechtelijke binding ook wel beperkt tot het bij het overlijden van de eerststervende bij de langstlevende aanwezige vermogen. Ik verwijs naar de clausule in noot 209 van hoofdstuk V.
Als sprake is van ‘Wechselbezüglichkeit’ dan heeft dat, zoals in par. 3.3.3. en par. 4.4 van hoofdstuk V aan de orde is gesteld, tot gevolg dat, onder omstandigheden, indien een beschikking geen gevolg heeft, bepaalde beschikkingen van de ander vervallen als ware het een kaartenhuis. Beschikkingen kunnen in meerdere of mindere mate van elkaar afhankelijk worden gemaakt. Kan dit ook in Nederland? Kan de testateur bepalen dat zijn beschikkingen afhankelijk zijn van de wijze van testeren of het al dan niet herroepen van bepaalde beschikkingen van degene die hij, bijvoorbeeld, wenst te bevoordelen?
Zoals hiervoor in par. 4 2 van dit hoofdstuk al opgemerkt, verbiedt art. 4:4 lid 1 BW dergelijke regelingen.
Zou met art. 4:43 lid 2 BW, waar de dwaling in de beweegreden geregeld is, de eventueel gewenste afhankelijkheid bereikt kunnen worden? Kan de beschikking vernietigbaar worden gemaakt door in het testament te bepalen dat de betrokken beschikking niet gemaakt zou zijn indien de testateur wetenschap zou hebben gehad van het feit dat degene die hij wil bevoordelen zijn uiterste wilsbeschikking anders op heeft gesteld dan verwacht. Ik beschouw art. 4:4 lid 1 BW als een species ten opzichte van art. 4:43 lid 2 BW, zodat ik voor deze gedachtegang geen ruimte zie. Ook art. 4:54 BW zou het nabootsen van de Duitse regeling in de weg zitten.
Op zich heb ik geen problemen met ‘belemmerende’ uiterste wilsbeschikkingen. Cautio’s in testamenten, van welke aard dan ook, zie ik niet als een fenomeen dat bestreden zou moeten worden. Waarom mag ik een erfrechtelijke bevoordeling van P niet intrekken, als P, die ik in mijn testament benoem als erfgenaam, tegen mijn zin overgaat tot vernietiging van bepaalde in mijn testament willens en wetens opgenomen vernietigbare legaten? Ik had hem toch niet hoeven benoemen!
De wetgever ziet dat mijns inziens anders. Ik verwijs onder meer naar par. 2.4 van hoofdstuk III. Een wijziging van art. 4:4 lid 1 BW, die ziet op het toestaan van ‘erfrechtelijke’ cautio’s, is daarom wenselijk.
Moet het dan ook mogelijk worden om erfrechtelijke bevoordelingen te koppelen aan het op een bepaalde wijze van testeren door de bevoordeelde of het niet herroepen van bepaalde beschikkingen door hem? Hier twijfel ik. Hoe komt de notaris achter de benodigde gegevens bij de afgifte van de verklaring van erfrecht? Ik verwijs naar de casus behandeld in par. 2.3.2 van hoofdstuk III. Op zich zou aan dit vraagstuk wel een mouw zijn te passen door in het testament de bewijslast, dat, bijvoorbeeld een bepaald testament het laatste is, op de “bevoordeelde onder ontbindende voorwaarde” te leggen.
Voor zover de voorwaardelijkheid van de beschikkingen van de testateur op het moment van zijn overlijden uitgewerkt is, zie ik op zich geen bezwaren. De beschikking waarin bepaald is dat de familie van de partner alleen dan benoemd wordt indien de testateur van de partner geërfd heeft, moet niet verboden worden. Thans, met het ruime verbod van art. 4:4 lid 1 BW, kan ik niet uitsluiten dat de rechter ook dergelijke voorwaarden als nietig aanmerkt.
Het is gewenst dat deze materie aandacht krijgt van de praktijk en wetenschap, zodat een discussie ontstaat over de vraag hoe ver de testateur met cautio’s zou moeten mogen gaan.
Bestaan er geen alternatieven? Als de testateur de wens heeft dat degene die hij wil bevoordelen zelf bepaalde erfgenamen of legatarissen benoemt dan zou hij wellicht met het turbo-testament1of de daarop te baseren “tweetrapsmaking tegen inbreng” geholpen kunnen worden. Stel A wil B begunstigen, maar eigenlijk slechts indien B in zijn testament C als enig erfgenaam opneemt. Gelet op art. 4:4 lid 1 BW behoort dit thans niet tot de mogelijkheden.
A zou B tot enig erfgenaam onder ontbindende voorwaarde kunnen benoemen en C tot erfgenaam onder opschortende voorwaarde. Als ontbindende voorwaarde geldt het overleven door C van het overlijdensmoment van B.
Met deze tweetrapsmaking in de zin van art. 4:141 BW wordt voorkomen dat A afhankelijk is van de beschikkingen van B. Het nalatenschapsvermogen van A komt uiteindelijk (al dan niet deels verteerd, afhankelijk van de optuiging van de tweetrapsmaking) bij C terecht.2 De tweetrapsmaking heeft echter geen impact op het overige vermogen van B. Hij blijft vrij als langstlevende om bij uiterste wil te beschikken over zijn eigen vermogen. Om dit probleem voor wat betreft het ten tijde van het overlijden van A aanwezige vermogen van B te ondervangen, zou een aanvullende ontbindende voorwaarde kunnen worden gekoppeld aan het erfgenaamschap van B. B kan verplicht worden zijn gehele vermogen in te brengen in de nalatenschap van A.3 Zo heeft C als verwachter uitzicht op het (ten tijde van het overlijden van de insteller aanwezige)4 vermogen van de bezwaarde.5