Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/2.8.2
2.8.2 Zuivere splitsingsvarianten
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491438:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
In de schema’s wordt de vermogensovergang geïllustreerd aan de hand van een stippellijn gevolgd door een pijl.
De belangen van Y en Z zullen ‘verwateren’ omdat X aandeelhouder wordt.
Zie onderdeel 2.8.3, onder b, voor de evenredige afsplitsing. Zie hierover uitgebreid Roelofs & Van Eck, TvO 2011/6.
De evenredige splitsing is een vereenvoudigde splitsing zodat minder procedurele voorschriften gelden. Zie onderdeel 2.9.
In de literatuur is aandacht gevraagd voor wat wel wordt aangeduid met een ‘beperkt onevenredige splitsing’. In die variant worden de aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon (X en Y die ieder 50% houden) weliswaar allebei aandeelhouder van de verkrijgers (V1 en V2), maar niet in dezelfde verhouding. X verkrijgt bijvoorbeeld 70% in V1 en 30% in V2, terwijl Y 30% verkrijgt in V1 en 70% in V2. Diverse auteurs achten deze splitsingsvorm mogelijk. Zie, bijvoorbeeld, Koster, 2009, onderdeel 10.3, p. 302-304 (aan wie ik het zojuist gegeven voorbeeld en de term ‘beperkt onevenredige splitsing’ ontleen), Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334e BW, aantekening 2 (bijgewerkt 12-5-2020) en Roelofs 2014, onderdeel 3.6.3, p. 168-169. Door anderen wordt juist betoogd dat deze variant niet mogelijk is. Zie, bijvoorbeeld, Huizink, WPNR 1998/6305. Dit onderwerp vertoont verwantschap met de hierna (onder h) te bespreken bijzondere ‘aandeelhouderssplitsingsvariant’ ex art. 2:334cc BW die - volgens de wetgever - onmogelijk is. Ik wijs erop dat de zojuist aangehaalde auteurs hun betoog over de mogelijkheid van een ‘beperkt onevenredige splitsing’ niet baseren op art. 2:334cc BW, maar (rechtstreeks) op art. 2:334e BW.
In de schematische weergave zijn V1 en V2 nieuw opgerichte verkrijgers. Een zuivere splitsing – en daarmee dus ook een ruziesplitsing – is echter ook mogelijk met (alleen) bestaande verkrijgende rechtspersonen.
Zie Kamerstukken II 2007/08, 31 334, nr. 3, p. 5.
Dit volgt uit de duidelijke tekst van art. 2:334cc, lid 1, BW. Vgl. ook Kamerstukken II 1996/97, 24 702, nr. 6, p. 13.
Buijn, TFO 1998/1, onderdeel 4, Van Eck & Volders, WPNR 2004/6593, onderdeel 3, Van Eck, WPNR 2007/6725, Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.1, p. 118-119, Overes, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334a BW, aantekening 7 (bijgewerkt 12-5-2020) en Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334cc BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020), zijn allemaal van mening dat deze zuivere splitsingsvorm mogelijk is, zij het niet allemaal op basis van dezelfde redenering. Andere auteurs zijn van oordeel dat deze splitsingsvariant niet mogelijk is. Zie Kroeze 2021, hoofdstuk 10, nr. 496, Koster 2009, onderdeel 10.3, p. 304-307, Van Olffen, WPNR 2007/6712, Dortmond, Ondernemingsrecht 2005/159, onderdeel 5 en Van Solinge 2000, p. 86-87.
Zie over de onmogelijkheid daarvan Roelofs 2014, onderdeel 3.8.5.1, p. 199. Door diverse auteurs is overigens het standpunt verdedigd dat het ‘zijn’ in plaats van het ‘worden’ van aandeelhouder soms ook kan volstaan. Zie, bijvoorbeeld, Van Eck & Volders WPNR 2004/6593, onderdeel 3 en Van Olffen, WPNR 2007/6712, p. 507. Ook bij zo’n interpretatie van art. 2:334cc, lid 1, BW past de vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing niet in de omschrijving in dat artikellid, tenzij de verkrijgende rechtspersonen vóór de splitsing aandelen in zichzelf houden.
Zie, bijvoorbeeld, Van Eck & Volders, WPNR 2004/6593, onderdeel 3.
Zie Van Solinge 2000, p. 86-87, Koster 2009 onderdeel 10.3, p. 307 en Van der Heijden & Van der Grinten 2013, hoofdstuk 13, p. 907. Dortmond, Ondernemingsrecht 2005/159, onderdeel 5, schrijft: “Met beide handen grijpt men nu art. 2:334e lid 2 BW, aan en stelt dat BV A als verkrijgende vennootschap aan zichzelf geen aandelen in haar eigen kapitaal behoeft toe te kennen voor de aandelen die zij in de splitsende BV X heeft. Dat lijkt me juist. Maar men gaat verder en stelt dat door BV A (ook) geen aandelen in de verkrijgende BV B worden verkregen voor de aandelen die door BV A in het kapitaal van de splitsende joint venture BV X worden gehouden. Dat nu lees ik niet in art. 2:334e lid 2 BW en ik ben met Van Solinge eens dat de opzet niet kan.” Vertaald naar de schematische weergave in de hoofdtekst komt dit erop neer dat X en Y weliswaar op grond van art. 2:334e, lid 2, BW geen aandelen aan zichzelf hoeven toe te kennen, maar wel aan elkaar.
Zie Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.1, p. 119, die het als volgt verwoorden: “Naar onze mening is derhalve de vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing mogelijk op basis van artikel 334e leden 1 en 2 jo artikel 334x lid 4. Daarbij komt men derhalve niet toe aan toepassing op grond van artikel 334cc, waarbij er hetzij sprake is van toekenning van aandelen, de hybride splitsing of de situatie dat er krachtens de ruilverhouding geen recht bestaat op een enkel aandeel (artikel 334e lid 3).” Buijn & Storm 2013, onderdeel 12.7, p. 581, lijken op hetzelfde spoor te zitten. De vraag rijst of deze auteurs niet voorbijgaan aan het in de vorige voetnoot geciteerde betoog van Dortmond.
Zie Schoonbrood & Van Olffen, WPNR 2011/6873, punt 17, p. 110.
Dit is vervolgens ook fiscaal relevant, omdat het fiscale recht niet zelfstandig de rechtsfiguur van de splitsing definieert. Daarvoor is het toepasselijke civiele recht leidend. Zie ook onderdeel 13.3.5.
Het gaat hier om zogenoemde moeder-dochterfusies ex art. 2:309 jo. art. 2:333, lid 1, BW.
Art. 2:334cc BW maakt deel uit van afdeling 5 van titel 7 als gevolg waarvan die bepaling alleen NV’s en BV’s omvat. In art. 2:334e, lid 2, BW wordt gesproken over ‘aandelen’ zodat die bepaling slechts een rol speelt voor NV’s en BV’s en dus niet voor verenigingen, coöperaties, onderlinge waarborgmaatschappijen en stichtingen.
Buijn, Nieuwdorp & Simonis 1996.
De redenering van de wetgever wordt in de literatuur bekritiseerd. Ik verwijs naar Kroeze 2021, hoofdstuk 10, nr. 495. Roelofs 2014, onderdeel 3.8.5, p. 198, geeft aan dat het maar de vraag is of deze uitleg van de wetgever sinds de invoering van de zogenoemde ‘evenredige splitsing’ ex art. 2:334hh, lid 2, BW nog stand kan houden. Deze auteur meent dat een onevenredige ruziesplitsing (inmiddels) mogelijk is. Kroeze 2021, hoofdstuk 10, nr. 495, acht een afwijking van de expliciete bedoeling van de wetgever riskant.
Zie, bijvoorbeeld, Van Eck & Volders WPNR 2004/6593, onderdeel 4, Van Veen, Groene Serie Rechtspersonen, commentaar op art. 2:334cc BW, aantekening 3 (bijgewerkt 12-5-2020), Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.1, p. 117-118, Koster 2009, onderdeel 10.3, p. 309-310 en Roelofs 2014, onderdeel 3.8.5, p. 200. Alle genoemde auteurs menen dat deze splitsingsvariant mogelijk is.
Koster 2009, onderdeel 10.3, p. 311, stelt dat deze splitsingsvariant niet is toegestaan als slechts ten aanzien van één verkrijgende rechtspersoon voor het regime van art. 2:334cc BW wordt gekozen. Hiermee nuanceert hij de stelling van Van Eck & Volders, WPNR 2004/6593, onderdeel 4.2, voetnoot 41, dat het mogelijk is om per verkrijger voor een apart regime (art. 2:334e, lid 1 of art. 2:334cc BW) te kiezen. In het in de hoofdtekst weergegeven schema is met betrekking tot twee verkrijgers voor het ruziesplitsingsregime gekozen, zodat deze variant ook in de visie van Koster mogelijk is.
Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.2, p. 120, betogen dat een driehoekssplitsing ook mogelijk is indien de groepsmaatschappij samen met meer dan één andere groepsmaatschappij het gehele geplaatste kapitaal van de verkrijger verschaft. Zie over dit punt ook Koster 2009, onderdeel 10.4, p. 319, die in voetnoot 67 constateert dat dit op basis van de tekst van art. 2:334ii BW niet mogelijk is, maar naar de bedoeling van de wetgever wel. Roelofs 2014, onderdeel 3.8.4, p. 192, is van mening dat een driehoekssplitsing niet mogelijk is als meer dan twee groepsmaatschappijen het gehele kapitaal van de verkrijgende vennootschap verschaffen.
In de literatuur is de vraag opgeworpen of de groepsmaatschappij per definitie onmiddellijk aandeelhouder van de verkrijger moet zijn. De meeste auteurs beantwoorden deze vraag bevestigend. Zie bijvoorbeeld Zaman, Van Eck & Roelofs 2009, onderdeel 2.4.2.2, p. 123-124 en Roelofs 2014, onderdeel 3.8.4, p. 193-195. In andere zin Leemrijse, V&O 2003/11, p. 184-185. Deze auteur meent dat de driehoekssplitsing ook mogelijk is indien de groepsmaatschappij middellijk (dus via een dochtervennootschap) het gehele kapitaal van de verkrijger verschaft.
Zoals in onderdeel 2.3 al is opgemerkt, is een kenmerk van de zuivere splitsing dat de splitsende rechtspersoon van rechtswege ophoudt te bestaan. Daarnaast is vereist dat ten minste twee rechtspersonen als verkrijger aan de zuivere splitsing deelnemen. Uiteraard kan een veelvoud van dat aantal verkrijgers deelnemen aan een zuivere splitsing.1
a. Zuivere splitsing met bestaande verkrijgers
S is de splitsende rechtspersoon en zijn vermogen gaat in het kader van de splitsing over naar de al bestaande verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2). X wordt door de zuivere splitsing aandeelhouder van V1 als V2. Y en Z blijven aandeelhouder van V1 respectievelijk V2.2
b. Zuivere splitsing met nieuw opgerichte verkrijgers
In dit geval gaat het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) in het kader van de splitsing over naar de bij de splitsing nieuw opgerichte verkrijgers (V1 en V2). X wordt door de zuivere splitsing aandeelhouder van zowel V1 als V2.
c. Evenredige zuivere splitsing
Een bijzondere variant van de zuivere splitsing is de zogeheten ‘evenredige splitsing’.3 Vereist is dat alle verkrijgende vennootschappen bij de splitsing worden opgericht. De aandeelhouders van de splitsende vennootschap worden van deze verkrijgers aandeelhouder en wel evenredig aan hun aandeel in de splitsende vennootschap (art. 2:334hh, lid 2, BW). De evenredige splitsing is uitsluitend mogelijk tussen NV’s en BV’s en kan, bijvoorbeeld, als volgt worden geïllustreerd.4
Het vermogen van de splitser (S) gaat onder algemene titel over naar de nieuw opgerichte verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2). De aandeelhouders van de splitser, X en Y, worden evenredig aan hun aandeel in de splitsende rechtspersoon (30%-70%) aandeelhouder van de verkrijgers.5
d. Zuivere splitsing met (een) bestaande verkrijger(s) en (een) nieuw opgerichte verkrijger(s)
S is de splitsende rechtspersoon en zijn vermogen gaat onder algemene titel over naar enerzijds de al bestaande V1 en anderzijds de nieuw opgerichte V2. X wordt door de zuivere splitsing aandeelhouder van zowel V1 als V2. Y blijft aandeelhouder van V1. Omdat Y geen aandelen hield in de splitser (S) verkrijgt hij geen aandelen in V2.
e. Aandeelhouderssplitsing of ruziesplitsing
Het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar de verkrijgende rechtspersonen (V1 en V2).6 De onderscheiden aandeelhouders van S, te weten X en Y, worden aandeelhouder van de onderscheiden verkrijgende rechtspersonen. X wordt aandeelhouder van V1 en Y wordt aandeelhouder van V2. Deze in art. 2:334cc BW nader uitgewerkte splitsingsvorm wordt vaak aangeduid met aandeelhouderssplitsing of ruziesplitsing, omdat het aandeelhoudersbestand van de splitsende rechtspersoon wordt verdeeld over de verkrijgende rechtspersonen. Deze splitsingsvariant vormt één van de uitzonderingen op de hoofdregel van art. 2:334e, lid 1, BW dat de aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon door de splitsing aandeelhouder(s) worden van alle verkrijgende rechtspersonen. Zie onderdeel 2.7.1. Overigens is ‘ruzie’ geen constitutief vereiste voor het tot stand brengen van deze splitsingsvariant.7 Een ruziesplitsing is volgens de duidelijke tekst van art. 2:334cc, lid 1, BW alleen mogelijk in de vorm van een zuivere splitsing. Voorts dienen alle bij deze splitsing betrokken rechtspersonen NV’s of BV’s te zijn. Het is niet vereist dat alle aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon enig aandeelhouder worden van een verkrijgende rechtspersoon.8 Het volgende voorbeeld kan dit verduidelijken.
f. Aandeelhouderssplitsing of ruziesplitsing (II)
In deze constellatie gaat het vermogen van de splitser (S) onder algemene titel over naar twee nieuw opgerichte verkrijgers (V1 en V2). Het aandeelhoudersbestand van S wordt in die zin uit elkaar gehaald dat X enig aandeelhouder wordt van V1, terwijl Y en Z samen aandeelhouder worden van V2.
g. Vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing?
In de literatuur is uitgebreid aandacht besteed aan een bijzondere variant van de aandeelhouderssplitsing, de zogenoemde ‘vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing’. Met behulp van deze figuur zou een joint-venture kunnen worden beëindigd, zonder dat de verkrijgende rechtspersonen aandelen toekennen.9 Schematisch:
De aandeelhouders (X en Y) van de splitsende NV of BV (S) treden op als verkrijgende rechtspersoon zonder dat zij aandelen toekennen. Deze splitsingsvariant lijkt niet te passen in de omschrijving van een ruziesplitsing in art. 2:334cc, lid 1, BW. Daarin is namelijk bepaald dat de onderscheiden aandeelhouders van de splitser, in dit geval X en Y, aandeelhouder worden van onderscheiden verkrijgers: dit zou betekenen dat de verkrijgers aandelen in zichzelf moeten toekennen.10 In de literatuur is betoogd dat deze variant desondanks mogelijk is door art. 2:334cc, lid 1, BW te combineren met art. 2:334e, lid 2, BW.11 De als eerste genoemde bepaling bewerkstelligt in deze uitleg dat het aandeelhoudersbestand uit elkaar wordt gehaald. De laatstgenoemde bepaling is vervolgens nodig om te voorkomen dat iedere verkrijgende rechtspersoon, tevens aandeelhouder van de splitser, aandelen aan zichzelf moet toekennen. Dit betoog wordt door andere auteurs op hun beurt echter als volgt bestreden:
Op grond van de hoofdregel van art. 2:334e, lid 1, BW worden alle aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon door de splitsing aandeelhouder(s) van alle verkrijgers.
De uitzonderingen hierop zijn opgenomen in art. 2:334e, lid 2 en lid 3, BW.
Deze uitzonderingen kunnen volgens deze auteurs niet worden gecombineerd, maar staan naast elkaar. Vergelijk het woord ‘voorts’ in de aanhef van art. 334e, lid 3, BW.
Omdat in art. 2:334e, lid 3, onderdeel b, BW wordt verwezen naar de splitsingsvariant van art. 2:334cc BW, is het niet mogelijk om bij die splitsingsvariant ook een beroep te doen op de uitzondering van art. 2:334e, lid 2, BW.12
Weer anderen verdedigen dat de vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing kan worden geëffectueerd zonder toepassing van art. 2:334cc BW. De splitsingsvariant zou mogelijk zijn omdat (i) een zuivere splitsing kan worden doorgevoerd met bestaande verkrijgers, (ii) ex art. 2:334e, lid 2, BW geen aandelen hoeven te worden toegekend, terwijl (iii) de aandelen in de splitser ex art. 2:334x, lid 4, BW vervallen.13 Deze redenering wordt ten slotte door anderen weer bestreden.14
Gelet op de zojuist geschetste uiteenlopende meningen is het, althans voor mij, allerminst zeker dat de vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing kwalificeert als rechtsgeldige splitsing in civielrechtelijke zin.15 Mocht dat niet het geval zijn, dan kan via een omweg dezelfde eindstructuur worden bereikt. De eerste stap in dat alternatief is een reguliere aandeelhouderssplitsing ex art. 2:334cc BW met twee nieuw opgerichte BV’s/NV’s als verkrijgers. De tweede stap bestaat uit juridische fusies16 waarin deze verkrijgende NV’s/BV’s betrokken zijn als verdwijnende rechtspersonen en hun onderscheidenlijke aandeelhouders/lichamen als verkrijgende rechtspersonen. Mocht een vereenvoudigde aandeelhouderssplitsing daarentegen wel mogelijk zijn, dan moet worden bedacht dat daaraan slechts NV’s en BV’s kunnen deelnemen.17
h. Het aanpassen van participatieverhoudingen via een aandeelhouderssplitsing?
De aandeelhouders (X en Y) van de splitser (S) worden aandeelhouder van alle verkrijgers (V1 en V2), zij het dat de verhouding waarin zij in de diverse verkrijgers participeren (40%-60% respectievelijk 60%-40%) afwijkt van participatieverhouding in de splitser (50%-50%). Tijdens de parlementaire behandeling van de civielrechtelijke splitsingsregeling is door de wetgever – naar aanleiding van een preadvies18 – aandacht besteed aan de vraag of deze splitsingsvorm is te rangschikken onder art. 2:334cc BW. De wetgever heeft als volgt gemotiveerd dat deze wijze van zuivere splitsing niet mogelijk is:19
“(…) Daarvoor is het artikel [art. 2:334cc BW; GCvdB] echter niet bedoeld. Het is een middel om ruziënde aandeelhouders uit elkaar te halen, niet om ze elders in een andere verhouding verder te laten ruziën. De zinsnede in de aanhef dat «onderscheiden aandeelhouders van de splitsende rechtspersoon aandeelhouder worden van onderscheiden verkrijgende rechtspersonen» betekent dat bepaald kan worden dat aandeelhouder A aandeelhouder wordt van vennootschap X en aandeelhouder B van vennootschap Y en ook dat aandeelhouder A aandeelhouder wordt van vennootschap X en Y en aandeelhouders B en C van vennootschap Z (mits de verdeling redelijk is: zie artikel 334cc onderdeel c), maar niet dat kan worden bepaald dat aandeelhouder A en B aandeelhouder worden in zowel vennootschap X als Y, maar in andere verhouding dan zij dat in de splitsende vennootschap waren.”20
i. Gedeeltelijke aandeelhouderssplitsing of ruziesplitsing
In de literatuur is voorts aandacht besteed aan de volgende splitsingsvariant:21
Het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar (in dit geval) drie verkrijgende rechtspersonen: V1, V2 en V3. Met deze variant wordt een aandeelhouderssplitsing en een reguliere zuivere splitsing gecombineerd.22 De figuur wordt ook wel ‘vermogenssplitsing’ genoemd. De aandeelhouders (X en Y) worden voor een deel van het vermogen van de splitser (S) uit elkaar gehaald, namelijk voor zover dat vermogen overgaat naar V1 en V2. Voor zover het vermogen overgaat naar V3 blijven zij gezamenlijk participeren. Omdat hier deels sprake is van een aandeelhouderssplitsing ex art. 2:334cc BW, is ook deze splitsingsvariant uitsluitend mogelijk met NV’s/BV’s.
j. Driehoekssplitsing
Het vermogen van de splitsende rechtspersoon (S) gaat onder algemene titel over naar de verkrijgende rechtspersonen V1 en V2. Aandeelhouder X van de splitsende rechtspersoon wordt aandeelhouder van zowel V2, waarin Z al participeert, als van een groepsmaatschappij (GM) van V1, waarin Y al participeert. Wat betreft dit laatste is sprake van een driehoekssplitsing ex art. 2:334ii BW. Onverkorte toepassing van de in art. 2:334e, lid 1, BW opgenomen hoofdregel dat de aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon – in dit geval is dat uitsluitend X – aandeelhouder(s) worden van alle verkrijgers, zou een blokkade kunnen opwerpen in situaties waarin een verkrijgende rechtspersoon (in dit geval V1) vóór de splitsing tot een groep behoort. De aandelen in deze verkrijger zouden als gevolg van de splitsing namelijk niet langer volledig in handen zijn van het ‘groepshoofd’, in dit geval GM. Zonder de mogelijkheid van een driehoekssplitsing zou de splitsing zelfs het groepsverband kunnen verbreken.23 Om die reden bestaat de driehoekssplitsing als gevolg waarvan de verkrijgende rechtspersoon V1 niet zelf aandelen toekent aan de aandeelhouder(s) van de splitsende rechtspersoon (in dit geval X). De aandelen worden toegekend door een groepsmaatschappij (GM) van deze verkrijger.24 Aan een driehoekssplitsing kunnen uitsluitend NV’s en BV’s deelnemen. Art. 2:334ii, lid 2, BW maakt duidelijk dat een driehoekssplitsing alleen mogelijk is als de groepsmaatschappij (GM) alleen of samen met een andere groepsmaatschappij25 het gehele geplaatste kapitaal van de verkrijgende vennootschap (V1) verschaft.26