Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.2.4:6.9.2.4 Tussenconclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.2.4
6.9.2.4 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS458901:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze bepaling heeft tegenwoordig dan ook vooral de betekenis dat regelingen ter uitvoering van het Europese geldstelsel een grondslag in een wet in formele zin behoeven. Zie ook: Duijkersloot 2016, p. 5.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De conclusie van de regering en (een meerderheid van) het parlement dat het Verdrag van Maastricht, wat de EMU-bepalingen betreft, niet in strijd is met de Grondwet, is mijns inziens juist. Artikel 106 Gw (‘De wet regelt het geldstelsel’) staat niet in de weg aan een Europese valuta, zoals expliciet aan de orde kwam bij de invoering van die bepaling.1Artikel 105 Gw regelt naar de letter slechts dat begrotingen bij de wet worden vastgesteld. Aangezien het voor de toepassing van artikel 91, derde lid, Gw nodig is dat een verdrag afwijkt van een specifieke grondwetsbepaling, wijkt het Verdrag van Maastricht mijns inziens tevens niet af van artikel 105 Gw. Ook na de goedkeuring van dat verdrag worden begrotingen immers bij de wet vastgesteld. Op basis van de geldende uitleg van artikel 91, derde lid, Gw wijkt het Verdrag van Maastricht, wat de EMU-bepalingen betreft, dus niet af van de Grondwet.