Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.6.2
2.6.2 Behoud van rechtspersoonlijkheid
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS494027:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Aldus de Minister van Justitie met betrekking tot een specifieke (grensoverschrijdende) omzetting, te weten de omzetting van de Canadese vennootschap Companía Shell de Venuzuela Limited in een Nederlandse NV, op grond van de bijzondere wet van 23 januari 1974, Stb. 1974, 22. Zie Kamerstukken II 1972/73, verslag van de algemene beraadslaging 13 september 1973, p. 2549.
Vergelijk L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss.), Deventer: Kluwer 1996, p. 43.
Art. 2:72 BW (oud) bevatte een regeling betreffende de omzetting van een BV in een NV; art. 2:183 BW (oud) betrof de omzetting van een NV in een BV. Omtrent de continuïteit van de rechtspersoon leerde de tekst van beide bepalingen niets expliciets. Volgens Wj. Slagter, Compendium van het ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 1985, p. 107, kon bij dergelijke omzettingen worden volstaan met een wijziging van de statuten, zodat de voor statutenwijziging voorgeschreven wettelijke en statutaire bepalingen in acht moesten worden genomen. De wettelijke en statutaire bepalingen omtrent de ontbinding waren volgens hem niet van toepassing. Volgens W.C.L. van der Grinten, Handboek voor de naamloze en besloten vennootschap, 1989, p. 217, deed deze figuur in de voorstelling van de wetgever niet een nieuwe rechtspersoon ontstaan doch hulde de bestaande rechtspersoon zich in een ander kleed. Ook de redactie van Vakstudie Nieuws, V-N 1971/614, punt 19, was de mening toegedaan dat, bij een omzetting van een NV in een BV, de NV niet werd ontbonden. Een enkeling deelde deze visie met betrekking tot de gelijkblijvende identiteit niet. Volgens Fj.W. Löwensteyn, Rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Gouda Quint 1978, p. 175, blijkt deze omzetting namelijk een rechtshandeling te zijn met drie gevolgen, die zich voordoen in een samenval van rechtsmomenten: de oprichting van een nieuwe rechtspersoon, de ontbinding van de oude en de overgang onder algemene titel van het vermogen van de oude rechtspersoon op de nieuwe.
Vergelijk art. 2:20 lid 2 tweede volzin BW (oud) dat luidde: ‘Zij doet de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke rechtspersoon onder algemene titel op de nieuw gevormde overgaan.’
Art. 2:20 lid 2 eerste volzin BW (oud) luidde: ‘Een omzetting krachtens dit of het voorgaande artikel moet geschieden volgens de bepalingen, voor de oprichting van de nieuwe rechtspersoon gegeven.’
Zie Fj.W. Löwensteyn, Rechtspersonenrecht (Pitlo-serie deel 2), Deventer: Gouda Quint 1986, p. 101, Tj. van der Ploeg, ‘Problemen i.v.m. de omzettingsregeling van art. 19 en 20 Boek 2 BW’, TVVS 1981, 5, p. 108. Ook de wetgever heeft in de parlementaire behandeling van de Wet tot vaststelling van de hoofdstukken 2, 3, 4 en 5 Invoeringswet Boek 2 Nieuw BW, Stb. 229, aangegeven dat de als gevolg van de omzetting de oude rechtspersoon wordt ontbonden. Zie Cj. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek, Deventer: Kluwer 1977, p. 1133.
Deze omzetting was derhalve voltooid zodra de nieuwe rechtspersoon rechtsgeldig tot stand was gekomen.
Volledigheidshalve wijs ik erop dat bij wijze van voortrein van de per 1 januari 1992 ingevoerde omzettingsregeling, art. 2:20a BW (oud) is ingevoerd bij de wet van 21 april 1987, Stb. 1987, 209, houdende regeling van de fusie van verenigingen en stichtingen. Art. 2:20a lid 1 BW (oud) luidde: ‘Een vereniging kan zich te allen tijde met inachtneming van de volgende leden in een stichting omzetten, en omgekeerd.’ Doel van dit wetsvoorstel was de juridische fusie, zoals sedert 1984 voor NV’s en BV’s opgenomen in het BW, ook mogelijk te maken voor verenigingen en stichtingen. Omdat volgens de hoofdregel van art. 2:310 lid 1 BW rechtspersonen slechts kunnen fuseren met rechtspersonen die dezelfde rechtsvorm hebben, bood deze tijdelijk in het BW opgenomen omzettingsregeling uitkomst.
Kamerstukken II 1982/83, 17 725, nr. 4, zoals opgenomen in: CJ. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 180 en 181.
Bij een juridische fusie wordt overigens op grond van art. 4:946 lid 3 BW hetzelfde resultaat bereikt. Op grond van deze bepaling hoeven eventuele bestaande testamentaire erfstellingen en legaten ten behoeve van de rechtspersoon in nog niet van kracht geworden uiterste wilsbeschikkingen bij fusie niet te worden gewijzigd.
In dezelfde zin L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss.), Deventer: Kluwer 1996, p. 42.
Vergelijk MJ.G.C. Raaijmakers, ‘Omzetting tussen vennootschap en rechtspersoon’, in: Maeijers belangstellingen (Serie Monografieën vanwege het Van der Heijden Instituut, deel 57), Deventer: Kluwer 1997, p. 53.
Zie L.C.A. Verstappen, Onderneming en overdracht onder algemene titel (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Deventer: Kluwer 2002, p. 67-71.
Zie over L.C.A. Verstappen, Onderneming en overdracht onder algemene titel (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Deventer: Kluwer 2002, p. 77-82.
Zie L.C.A. Verstappen, Onderneming en overdracht onder algemene titel (Preadvies van de Vereeniging ‘Handelsrecht’), Deventer: Kluwer 2002, p. 75-76.
Ook L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss.), Deventer: Kluwer 1996, p. 44, trekt deze conclusie.
Art. 2:18 lid 8 BW bepaalt dat omzetting het bestaan van de rechtspersoon niet beeindigt. Daarmee is expliciet vastgesteld dat bij alle vormen van omzetting de rechtspersoon niet verdwijnt, maar met behoud van de identiteit alleen de rechtsvorm wijzigt. Achter de term ‘identiteit’ van een rechtspersoon moet niet teveel worden gezocht. Het behoud van de identiteit betekent het enkele voortbestaan als rechtspersoon, zij het in een rechtskleed van een andere snit.1 In dit verband dringt zich een vergelijking op met de fysieke omzetting van natuurlijke personen in een ander geslacht ex art. 1:29a BW.2 Ondanks die ‘metamorfose’ blijft ook de identiteit van de natuurlijk persoon ongewijzigd.
In het tot 1 januari 1992 geldende systeem werd alleen de omzetting van een NV in een BV (en omgekeerd) als een omzetting in de ware zin des woords geregeld. De heersende opvatting in de civielrechtelijke literatuur is dat alleen deze vorm van omzetting, behoudens een wijziging van de statutaire inrichting, geen consequenties had voor de identiteit van de rechtspersoon.3 Overige omzettingsvormen waren op een andere leest geschoeid. Deze deden de rechten en verplichtingen van de oorspronkelijke rechtspersoon onder algemene titel op de nieuw gevormde rechtspersoon overgaan.4 De oprichting van de nieuwe rechtspersoon diende te geschieden volgens de bepalingen die voor de oprichting van de nieuw te vormen rechtspersoon zijn gegeven.5 Men nam aan dat de oorspronkelijke rechtspersoon door de omzetting werd ontbonden.6 Met ‘omzetten’ en ‘omzetting’ werd dus in feite ‘oprichten’ en ‘oprichting’ van een nieuwe rechtspersoon bedoeld.7 Het is dit systeem waarmee de per 1 januari 1992 geldende regeling fundamenteel heeft gebroken.8 Omzetting kan thans worden omschreven als de rechtshandeling waarbij de rechtsvorm van een rechtspersoon wijzigt met behoud van rechtspersoonlijkheid.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor het behoud van rechtspersoonlijkheid bij de omzetting van een rechtspersoon. Op de eerste plaats omdat erop dit punt volgens de wetgever geen reden is om de verschillende omzettingsvormen verschillend te behandelen. In de tweede plaats vanwege de voordelen die het behoud van rechtspersoonlijkheid heeft boven een overgang onder algemene titel.9 Dit tweede argument wordt toegelicht door erop te wijzen dat erfstellingen en legaten aan verenigingen en stichtingen onder het tot 1 januari 1992 geldende recht na omzetting krachteloos worden, tenzij in elk testament de nieuwe rechtspersoon de oude heeft vervangen.10
Omzetting van rechtspersonen is een figuur die nauw verband houdt met de overgang onder algemene titel ex art. 3:80 lid 2 BW, zoals het geval is bij erfopvolging, boedelmenging ex art. 1:93 BW, juridische fusie ex art. 2:308 BW en juridische splitsing ex art. 2:334a BW.11 Evenals de overgang onder algemene titel is de omzetting een rechtshandeling met een vanuit civielrechtelijke optiek faciliërend karakter.12 Het faciliërende karakter van de rechtsopvolging onder algemene titel schuilt in het achterwege blijven van leverings-, schuld- en contractovernemingsvoorschriften. De omzettingsfiguur gaat echter veel verder dan de rechtsopvolging onder algemene titel omdat (zelfs) een vermogensovergang ontbreekt. Als gevolg daarvan heeft het behoud van rechtspersoonlijkheid automatisch betrekking op het gehele vermogen, terwijl op de omvang van het vermogen dat onder algemene titel overgaat diverse uitzonderingen bestaan, bijvoorbeeld hoogstpersoonlijke rechtsverhoudingen.13 Voorts bestaat bij de vermogensovergang onder algemene titel bij een juridische en fusie en splitsing – anders dan bij de omzetting van een rechtspersoon met behoud van rechtspersoonlijkheid – onduidelijkheid over het al dan niet (kunnen) overgaan van verschillende vermogensrechtelijke rechtsverhoudingen, zoals een verleende volmacht, aanneming van werk en auteursrecht.14 Dergelijke vermogensrechtelijke verhoudingen worden bij de omzetting van een rechtspersoon automatisch gecontinueerd. Ten slotte omvat het behoud van rechtspersoonlijkheid tevens publiekrechtelijke rechtsverhoudingen, zoals een vergunning, terwijl het de vraag is of dergelijke rechtsverhoudingen voor overgang onder algemene titel vatbaar zijn.15
Uit de door de wetgever genoemde – en hiervoor gememoreerde – argumenten kan worden opgemaakt dat de omzetting zonder een vermogensovergang onder algemene titel geschiedt om redenen van doelmatigheid.16 Het behoud van rechtspersoonlijkheid laat overigens onverlet dat de omzettende rechtspersoon als rechtssubject (op eenvoudige wijze) is veranderd. Deze gedaanteverwisseling is een gevolg van het na de omzetting van toepassing zijnde andere ‘rechtspersoonstatuut’ (lex societatis) dat onder andere de inrichting, de rechtsbevoegdheid en het intern en extern functioneren van de rechtspersoon bepaalt. De wisseling van het toepasselijke recht kan evenwel zo ingrijpend zijn, dat vanuit het perspectief van de bij de omzettende rechtspersoon betrokkenen de facto sprake is van een andere rechtspersoon. Denk bijvoorbeeld aan de omzetting van een stichting in een BV en omgekeerd. In paragraaf 2.6.3 hierna ga ik daarop nader in.