Einde inhoudsopgave
Overheidsaansprakelijkheid voor het verstrekken van onjuiste informatie (SteR nr. 45) 2019/5.5.2
5.5.2 Toerekening bij onrechtmatige wetgeving
S.A.L. van de Sande, datum 01-02-2019
- Datum
01-02-2019
- Auteur
S.A.L. van de Sande
- JCDI
JCDI:ADS504907:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
HR 9 mei 1986, NJ 1987/252 m.nt. M. Scheltema, AB 1986/429 m.nt. F.H. van der Burg (Staat/Van Gelder of Staat/Grosheide). Zie eerder HR 24 januari 1969, NJ 1969/316 m.nt. H. Drion (Pocketbooks II).
Zie hierover Schutgens 2009, p. 50-52.
HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016/30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink (Vakantiedagen of Staat/Habing), waarover Memelink 2015, p. 338-339 en Sanderink 2016, p. 9-10 en 12-13.
Zie over deze problematiek ook HR 4 mei 2018, ECLI:NL:HR:2018:677, AB 2018/300 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2018/117 m.nt. D.G.J. Sanderink, r.o. 3.4.2 (TMG/ Staat) en HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973, r.o. 3.4.3 (EnergyClaim c.s./ Staat).
Zie ook HR 19 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1973, r.o. 3.4.3 (EnergyClaim c.s./Staat). Vgl. hieromtrent de conclusie van A-G Keus voor HR 18 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2722, NJ 2016/166 m.nt. S.D. Lindenbergh, AB 2016/30 m.nt. R.J.G.M. Widdershoven, JB 2015/181 m.nt. D.G.J. Sanderink (Vakantiedagen of Staat/ Habing), waaraan de Hoge Raad overigens contrair gaat. Vgl. ook Polak 2012, p. 139.
Ruimte voor uitzonderingen bood ook HR 9 mei 1986, NJ 1987/252 m.nt. M. Scheltema, AB 1986/429 m.nt. F.H. van der Burg, r.o. 3.4 (Staat/Van Gelder of Staat/Grosheide) reeds: ‘In ‘s hofs door dit onderdeel bestreden overwegingen ligt het oordeel besloten dat te dezen voor een uitzondering geen plaats is.’ Schutgens 2009, p. 51, stelt evenwel (terecht) dat naar geldend recht altijd wordt toegerekend.
HvJ EU 26 juni 2001, C-173/99, ECLI:EU:C:2001:356 (Bectu).
HvJ EU 20 januari 2009, C-350/06 en C-520/06, NJ 2009/252 m.nt. M.R. Mok (Schultz-Hoff).
Vgl. de annotatie van R.J.G.M. Widdershoven bij het Vakantiedagen-arrest in AB 2016/30, onder 5-7.
Vgl. CBb 18 december 1991, AB 1994/555 (Verstoep/Minister van LNV), waarin wordt overwogen dat de Minister van LNV had kunnen bedenken dat de juistheid van zijn interpretatie niet boven twijfel verheven was.
Wellicht anders: Widdershoven 2015, p. 717. Hij stelt dat de overwegingen van de Hoge Raad lijken te impliceren dat de incorrecte omzetting en toepassing van een richtlijn pas toerekenbaar is aan de Staat vanaf het moment dat uit de rechtspraak van het HvJ EU over die richtlijn duidelijk had moeten zijn dat die omzetting incorrect is. Vgl. Schutgens 2016, p. 376. Hij leest in het arrest dat de Staat schuld heeft. Vgl. verder HR 26 januari 1990, NJ 1990/794 m.nt. C.J.H. Brunner (Politie-inval), waarin wordt overwogen dat het beschadigen van goederen door politie-optreden – behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond – een onrechtmatige daad oplevert. Bij afwezigheid van een rechtvaardigingsgrond moet de schade worden aangemerkt als te zijn veroorzaakt door schuld van de Staat, omdat hij rekening had te houden met de mogelijkheid van het achteraf ongefundeerd blijken van de rechtvaardigingsgrond. Zie ook HR 23 november 1990, NJ 1991/92, r.o. 3.3 (Joemman/Staat).
HR 26 september 1986, NJ 1987/253 m.nt. M. Scheltema, AB 1987/70 m.nt. F.H. van der Burg, r.o. 3 (Staat/Hoffmann-La Roche).
In het kader van de toerekening van onrechtmatige wetgeving is het arrest Staat/Van Gelder nog steeds het standaardarrest.1 Sedert Staat/Van Gelder geldt dat een orgaan van de overheid onrechtmatig handelt in de zin van artikel 6:162 BW door het uitvaardigen en handhaven van lagere regelgeving die in strijd is met hogere regelgeving en om die reden onverbindend is. Het arrest Staat/Van Gelder bevat ook een strenge regel voor de toerekening van een dergelijke onrechtmatige daad aan het overheidsorgaan, en wel krachtens schuld. Een dergelijke onrechtmatige daad kan in beginsel aan het betreffende overheidsorgaan worden toegerekend.2 De reikwijdte van deze regel was recent onderwerp van discussie in het Vakantiedagen-arrest.3 Hierin werd de Staat verweten onrechtmatig te hebben gehandeld door een bepaling uit een Europese richtlijn niet binnen de daarvoor geldende termijn (correct) te implementeren.4 De Hoge Raad stelt in het Vakantiedagen-arrest vast dat er onvoldoende grond bestaat om de regel van het arrest Staat/Van Gelder niet toe te passen ingeval wetgeving in formele zin strijdt met rechtstreeks werkend internationaal recht of met de verplichting tot implementatie van een Europese richtlijn. Het lag volgens de Hoge Raad op de weg van de Staat om de feiten en omstandigheden te stellen die in het voorliggende geval een uitzondering op die regel rechtvaardigen. De toerekening van een dergelijke onrechtmatige daad is dus (ook hier) in beginsel gegeven,5 zoals bij het nemen van een besluit in strijd met de wet, behoudens uitzonderingen.6 Dergelijke uitzonderingen zijn ook hier bijna nooit aan de orde. Dit blijkt uit de volgende overweging van de Hoge Raad in het Vakantiedagen-arrest:
‘Het hof heeft in dit geval geen grond aanwezig geoordeeld voor een uitzondering op het beginsel van genoemd arrest. Dat geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. De Staat diende immers in elk geval na het (…) Bectu-arrest7 van het HvJ EU rekening te houden met de uitleg (…) die het HvJ EU met zoveel woorden heeft gegeven in het arrest Schultz-Hoff.’8
Mijns inziens moet aan deze overweging – die ambigu is9 – een restrictieve uitleg worden gegeven, nu het gaat om een uitzonderingssituatie. Bij gebreke van aanwijzingen voor het tegendeel, houd ik het ervoor dat de Hoge Raad slechts heeft willen zeggen dat geen uitzondering op het semi-automatisme van toerekening kan worden aangenomen indien er rechtspraak beschikbaar is die de mogelijkheid openlaat dat de implementatie van de desbetreffende richtlijn in de nationale rechtsorde incorrect was.10 Het gaat mij te ver om uit deze overweging af te leiden dat er reeds ruimte is voor een uitzondering indien de overheid geen rekening behoefde te houden met de latere uitleg van een richtlijnbepaling door de rechter.11 Tegen een dergelijke a contrario uitleg pleit namelijk dat een vergelijkbare redenering van de hand is gewezen in het besluitenaansprakelijkheidsrecht, zoals blijkt uit het hiervoor besproken arrest inzake Staat/Hoffmann La Roche (zie paragraaf 5.5.1).12 In algemene zin moet mijns inziens op grond van het Vakantiedagen-arrest worden aangenomen dat bij beschikbaarheid van rechtspraak die aanleiding geeft – dan wel redelijkerwijs zou moeten geven – tot twijfel aan de rechtmatigheid van de wet, reeds daarom geen plaats is voor het aannemen van een uitzondering op de regel van beginseltoerekening. Hiermee is uiteraard niet gezegd dat bij afwezigheid van twijfel scheppende rechtspraak, reeds daarom wél een uitzondering zou moeten worden aangenomen.