Heffingsmethoden, een valse dichotomie?
Einde inhoudsopgave
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/7.4.2:7.4.2 Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de heffingsmethoden en waarin verschillen ze van elkaar?
Heffingsmethoden, een valse dichotomie? (FM nr. 156) 2019/7.4.2
7.4.2 Wat zijn de belangrijkste kenmerken van de heffingsmethoden en waarin verschillen ze van elkaar?
Documentgegevens:
Dr. H.M. Roose, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
Dr. H.M. Roose
- JCDI
JCDI:ADS442304:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Inkomstenbelasting / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Regelmatig wordt in de literatuur het beeld geschetst dat de heffingsmethoden elkaars tegenpolen zijn. Uit de resultaten van mijn onderzoek blijkt dat het beeld van tegenpolen in werkelijkheid veel genuanceerder ligt. Op drie van de vier kernelementen waarop ik de heffingsmethoden heb vergeleken, is er namelijk nauwelijks (nog) sprake van onderlinge verschillen. Het moment waarop het toezicht plaatsvindt, verschilt echter wel duidelijk. Als gevolg van het nieuwfeitvereiste wordt het toezicht bij een aanslagbelasting vooral vóór het formaliseren van de belastingschuld uitgeoefend, terwijl bij een aangiftebelasting het toezicht altijd achteraf gebeurt. Vanwege nuances in de onderlinge verschillen leidt een eventueel besluit tot een omzetting van een heffingsmethode er in mijn ogen niet toe dat de heffing en inning daardoor opeens diametraal anders wordt. Verder blijkt dat duidelijke definities van de heffingsmethoden ontbreken. Op basis van de resultaten van het onderzoek kom ik tot de onderstaande omschrijvingen voor de Nederlandse heffingsmethoden in hun huidige vorm. Het doel hiervan is om inzichtelijk te maken uit welke kernelementen ze bestaan en waar ze onderling van elkaar verschillen:
Bij een aanslagbelasting formaliseert de Belastingdienst, in beginsel met behulp van een door de belastingplichtige ingediende aangifte, de belastingschuld van diezelfde belastingplichtige. Toezicht vindt uiterlijk op dat moment plaats. De hoogte van de belastingschuld deelt de Belastingdienst via een formele beschikking (een aanslag) mee aan de belastingplichtige. De belastingschuld kan vanaf dat moment worden ingevorderd. Toezicht achteraf is mogelijk, maar de Belastingdienst kan de reeds geformaliseerde belastingschuld nog slechts onder bepaalde voorwaarden corrigeren.
Bij een aangiftebelasting formaliseert de belastingplichtige zelf zijn belastingschuld. Hij betaalt deze en informeert de Belastingdienst gelijktijdig door middel van het indienen van een aangifte. Een mededeling van de zijde van de Belastingdienst, in welke vorm dan ook, blijft achterwege. Toezicht vindt achteraf plaats. Indien nodig kan de Belastingdienst de geformaliseerde belastingschuld vrijwel ongeclausuleerd corrigeren.
Zoals ik hiervoor al schreef, vormt het moment waarop het toezicht wordt uitgeoefend het belangrijkste verschil tussen de Nederlandse heffingsmethoden. Uit het deelonderzoek in hoofdstuk 4 naar de ontwikkelingen op het vlak van het kernelement toezicht, komt naar voren dat die zich vooral voordoen bij de aanslagbelastingen. Dit betreft het versoepelen van de voorwaarden (wet en jurisprudentie) om over te kunnen gaan tot het opleggen van een navorderingsaanslag. De correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst worden erdoor vergroot. Het moment waarop het toezicht plaatsvindt, kan daardoor – indien nodig – naar achteren verschuiven. Dit leidt tot steeds grotere gelijkenis met een aangiftebelasting. Daarnaast heb ik in hoofdstuk 4 onderzocht welke ontwikkelingen zich voordoen op het vlak van de actieve informatieplicht, het vooraf invullen van gegevens in aangiften en het horizontaal toezicht. Uit dat onderzoek komt naar voren dat het verbeteren van de correctiemogelijkheden voor de Belastingdienst, het verlagen van de uitvoeringslasten voor de Belastingdienst (efficiency) drijvende factoren zijn achter deze ontwikkelingen. Daarnaast blijken de administratieve lasten voor belastingplichtigen en de behoefte aan rechtszekerheid van belastingplichtigen twee relevante factoren in het geheel te zijn.