Einde inhoudsopgave
Klachtdelicten (SteR nr. 65) 2024/5.3.2.4.3
5.3.2.4.3 Duitsland
J.L.F. Groenhuijsen, datum 13-02-2024
- Datum
13-02-2024
- Auteur
J.L.F. Groenhuijsen
- JCDI
JCDI:ADS946236:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zo is ingevolge § 380 StPO een Privatklage voor bepaalde delicten slechts toegestaan nadat het niet is gelukt om de zaak buiten de rechtszaal op te lossen met behulp van een door de overheid aangewezen mediator.
Een belangrijke uitzondering is bijvoorbeeld dat de Privatkläger de politie niet kan instrueren ten behoeve van de opsporing en vervolging.
Verrest & Mevis 2018, p. 97 en 127-128 en Haijer & Hoving 2022, p. 207.
De verplichting daartoe bestaat, tenzij de wet in een uitzondering voorziet. Opmerking verdient dat de wet ook voorziet in mogelijkheden om op basis van opportuniteitsafwegingen (na akkoord van de strafrechter) tot een sepot te komen. Zie: Verrest & Mevis 2018, p. 89 en 113.
Lindenberg 2013, p. 253-254; Verrest & Mevis 2018, p. 89.
Het recht tot een Nebenklage is thans geregeld in § 395 StPO en verder.
Lindenberg 2013, p. 255-256.
Brienen & Hoegen 2000, p.363-364.
Brienen & Hoegen 2000, p. 362.
De mogelijkheid van een appel bij de rechter bestaat niet in alle gevallen. Het is bijvoorbeeld uitgesloten indien het openbaar ministerie besluit om bepaalde delicten met instemming van de rechtbank op grond van § 153 StPO niet (verder) te vervolgen. Zie hierover meer uitgebreid: Brienen & Hoegen 2000, p. 373.
Lindenberg 2013, p. 261. Deze procedure is geregeld in § 172 StPO en verder.
De Duitse strafwetgeving kent bij een aantal delicten de mogelijkheid voor het slachtoffer om onder bepaalde voorwaarden zelf als aanklager op te treden.1 Bij een dergelijke Privatklage zijn aan het slachtoffer goeddeels dezelfde bevoegdheden toegekend als die een officier van justitie toekomen. 2Daarmee doorbreekt de Privatklage het in § 152 StPO neergelegde uitgangspunt dat het recht van vervolging uitsluitend aan de Staat toekomt. De procedure van de Privatklage is geregeld in § 374 StPO en verder, waarbij voormeld artikel een limitatieve opsomming bevat van de delicten die zich voor een dergelijke private vervolging lenen. Het gaat daarbij steeds om delicten die zien op persoonlijke verhoudingen. Dit betreft onder andere belediging, mishandeling, vernieling en huisvredebreuk. 3
In Duitsland is het uitgangspunt dat het openbaar ministerie – vanwege het aldaar gehanteerde legaliteitsbeginsel – is gehouden tot vervolging van strafbare feiten waaromtrent voldoende bewijs voorhanden is.4 De idee bij de hiervoor omschreven Privatklagedelikte is echter dat een automatische belasting van justitie niet is aangewezen en dat het volstaat om de burger zelf de ruimte te bieden desgewenst recht te doen. Het legaliteitsbeginsel wordt ten aanzien van dit soort betrekkelijk lichte strafbare feiten dan ook doorbroken doordat § 376 StPO voorschrijft dat deze delicten uitsluitend door de openbaar aanklager worden vervolgd indien dit het publiek belang dient. Daarmee bestaat ruimte voor een Privatklage indien en zolang de openbaar aanklager zelf niet tot vervolging overgaat.5
Indien de openbaar aanklager wel een vervolging start, of deze op enig moment van de Privatkläger overneemt op grond van § 377 StPO, bestaat voor de betrokkene onder omstandigheden de mogelijkheid om te blijven optreden als Nebenkläger. Dit recht tot Nebenklage was oorspronkelijk een afgeleide van de Privatklage. Deze rechtsfiguur heeft sinds 1986 echter een eigen (en meer omvangrijke) invulling gekregen. 6De Nebenklage is thans toegestaan voor een breder bereik aan strafbare feiten, waaronder poging tot moord en zedendelicten. Het optreden als Nebekläger is voorts toegestaan bij vervolging van niet in § 395 StPO expliciet genoemde feiten indien dit voor een getroffene om bijzondere redenen – zoals de ernstige gevolgen van het feit – van belang is ter behartiging van zijn belangen. 7De Nebenkläger komt een aantal procedurele rechten toe. Zo kan onder meer bewijs worden aangedragen, kunnen getuigen worden bevraagd en kan hoger beroep worden ingesteld tegen een onwelgevallig vonnis. Een en ander laat onverlet dat de openbaar aanklager primair verantwoordelijk blijft voor de vervolging. 8De mogelijkheid voor de Nebenkläger om rechtsmiddelen in te stellen, maakt echter wel dat hij wezenlijk invloed heeft op (de omvang en voortduring van) de vervolging.
Duitsland kent voorts Antragsdelikte. Dit betreft de Duitse versie van klachtdelicten, waarbij uitsluitend kan worden vervolgd na een daartoe strekkend verzoek. Dat verzoek moet in de regel worden ingediend door het slachtoffer, maar er zijn uitzonderingen waarbij ook anderen het recht hebben een klacht in te dienen. Zo kan ten aanzien van een verdachte militair de klacht worden ingediend door zijn meerdere. Een ander noemenswaardig strafvorderlijk verschil met de Nederlandse klachtdelicten betreft de mogelijkheid om de klacht in te trekken tot aan het moment waarop vonnis wordt gewezen.9 Daarmee behoudt de klachtgerechtigde in Duitsland veel langer de mogelijkheid om (verdere) vervolging te beletten. Daarnaast verdient opmerking dat in Duitsland – net als in Nederland – wordt onderscheiden tussen absolute en relatieve delicten die alleen op verzoek worden vervolgd. Het onderscheid absoluut en relatief houdt in Nederland en Duitsland echter niet hetzelfde in. Zo wordt een absolutes Antragsdelikt uitsluitend op verzoek vervolgd en kan een relatives Antragsdelikt ook zonder verzoek worden vervolgd indien het publiek belang daartoe in het bijzonder aanleiding geeft. Familiediefstal betreft in Duitsland op grond van § 247 StGB bijvoorbeeld een absoluut Antragsdelikt en diefstal van goederen met een geringe waarde is op grond van § 248a StGB een relatief Antragsdelikt. In Duitsland worden de absolute en relatieve Antragsdelikte geplaatst tegenover de (ernstigere) Offizialdelikte ten aanzien waarvan de openbaar aanklager (vanwege het hiervoor benoemde legaliteitsbeginsel) zonder meer is gehouden tot vervolging.
De Duitse wet kent het slachtoffer daarnaast het recht toe om via een zogeheten Klageerwingungsverfahren beklag te doen indien het openbaar ministerie besluit niet over te gaan tot opsporing of vervolging. Een dergelijk beklag moet worden gedaan bij de hoofdofficier van justitie. Indien de klager daar geen gehoor vindt, kan hij zich daaropvolgend wenden tot de rechter.10 De door de rechter aan te leggen toets is echter beperkt. Er wordt slechts beoordeeld of het legaliteitsbeginsel een verplichting tot vervolging met zich brengt ten aanzien van een feit waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan. De Duitse wet voorziet echter bij steeds minder lichte en middelzware delicten nog in een dergelijke verplichting; hetgeen ook blijkt uit de hiervoor besproken Privatklagedelikte en Antragsdelikte. Deze groeiende mogelijkheden in Duitse wetgeving om af te zien van vervolging doen afbreuk aan het bereik van deze beklagprocedure, omdat deze slechts ziet op delicten waarbij het openbaar ministerie vanwege het legaliteitsbeginsel verplicht is tot vervolging en derhalve geen sprake is van een opportuniteitsbeslissing. 11