Einde inhoudsopgave
Informatierechten van aandeelhouders (IVOR nr. 134) 2024/1.2.3.1
1.2.3.1 Beperking I: Nederlandse kapitaalvennootschappen (NV en BV)
mr. P.L. Hezer, datum 27-05-2024
- Datum
27-05-2024
- Auteur
mr. P.L. Hezer
- JCDI
JCDI:ADS972011:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Voor zowel de leden van een vereniging, coöperatie of onderlinge waarborgmaatschappij als de aandeelhouders van een kapitaalvennootschap geldt dat zij zich in een lidmaatschapsverhouding tot de rechtspersoon bevinden (zie Asser/Kroeze 2-I 2021, nr. 215) en vallen binnen de kring van artikel 2:8 BW. Zie voorts Rb. Utrecht 29 juli 1998, JOR 1999/58 (Resort Haamstede), waarin de Rechtbank voor de informatierechten van een lid van een coöperatie aansluiting zocht bij de informatierechten die een aandeelhouder zou hebben gehad in een NV of BV. Hoewel de CV een personenvennootschap is, en geen rechtspersoonlijkheid heeft, bevindt ook de commanditaire vennoot zich tot op zekere hoogte in een vergelijkbare positie, mede gezien het beheersverbod en zijn beperkte aansprakelijkheid (artikel 20 lid 2 resp. 3 WvK). Vgl. in dit verband Handboek 1929, p. 3: “Hiermede ligt de juridische oorsprong van de n. v. bloot. De betrekking, oorspronkelijk tusschen den enkelen reeder en zijn deelgenoot bestaande, was die der commenda-participatie. Deze betrekking is geen andere, dan welke onze tegenwoordige wet nog kent als vennootschap bij wijze van geldschieting of en commandite, ontstaande wanneer een stille vennoot geld inbrengt in eens anders onderneming onder beding van aandeel in de winst daarvan en bepaling, dat zijn aandeel in het verlies niet verder zal gaan dan ten beloope van zijn inbreng. (…) De n.v. is dus ontstaan als vennootschap van commanditaire aandeelhouders in eenzelfde onderneming.”
Zie voor de rechtvaardiging voor deze keuze ook par. 2.3 hierna.
Zoals ik hiervoor al aangaf, richt dit onderzoek zich uitsluitend op het Nederlands (nationaal) recht en bevat het geen volwaardig rechtsvergelijkend perspectief. Ik heb mij voorts beperkt tot de kapitaalvennootschappen beschreven in Boek 2 BW: de NV en de BV. Andere Nederlandse (of buitenlandse) rechtsvormen zijn niet specifiek onderzocht. De rechtvaardiging voor deze keuze is erin gelegen dat deze rechtsvormen de meeste relevantie hebben voor de praktijk en de beschikbare literatuur en – met name – rechtspraak hoofdzakelijk op kapitaalvennootschappen betrekking hebben. Denkbaar was geweest om ook andere rechtsvormen met een duale structuur te behandelen, zoals de vereniging, coöperatie, onderlinge waarborgmaatschappij en de commanditaire vennootschap. De rol en positie van leden, althans de commanditaire vennoten, is in zekere mate vergelijkbaar met die van aandeelhouders in een NV of BV.1 De bevindingen uit dit onderzoek kunnen daarmee ook relevantie hebben voor deze andere rechtsvormen.
De NV en de BV kennen beide een vergelijkbare structuur. Voor de bespreking van informatierechten van aandeelhouders is het onderscheid tussen deze beide rechtsvormen niet relevant. Ik zal daarom eenvoudigweg spreken over ‘vennootschappen’, waarmee – tenzij uit de context anders blijkt – wordt bedoeld een Nederlandse kapitaalvennootschap. Zoals ik later in deze studie zal toelichten, is daarentegen wel het onderscheid tussen besloten en open verhoudingen relevant. Ik gebruik voorts de term ‘vennootschapsleiding’, waarmee ik bedoel het bestuur en de raad van commissarissen gezamenlijk. Voor de strekking van dit onderzoek wordt aangenomen dat bestuurders en commissarissen in vergelijkbare mate toegang hebben tot informatie van de vennootschap.2 Door deze term te hanteren, wordt bovendien geabstraheerd van het onderscheid tussen het monistische en het dualistische bestuursmodel. Ik heb overigens als uitgangspunt genomen de Nederlandse kapitaalvennootschap met een duale structuur.