Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/3.7.2.5
3.7.2.5 Persoonlijk geïndividualiseerd belang
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS579938:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Zie Pan Gesch. Awb I, p. 148.
Zie CBB 4 november 1998, nrs. Awb 97/681, 97/682 en 97/683.
Van den Tweel 2001, p. 172-179.
SER advies 03/06: Evaluatie en aanpassing Mededingingswet, p. 91.
Een voorbeeld hiervan is de zaak Essers/NV Telekabel. Zie NMa besluit op bezwaar 13 april 1999, zaak 130 (Essers/NV Telekabel). In deze zaak diende een abonnee een klacht in tegen een aantal tariefverhogingen van een kabelbedrijf wegens misbruik van een economische machtspositie (art. 24 Mw). De NMa kwam tot het oordeel dat de klacht niet-ontvankelijk was omdat de klager een onvoldoende persoonlijk belang had. De betreffende tarieven golden voor de hele gemeente waardoor het belang van de klager zich onvoldoende onderscheidde van de belangen van andere in deze gemeente aangesloten abonnees. Zie ook het SER advies 03/06: Evaluatie en aanpassing Mededingingswet, p. 91. Uit diverse NMa-besluiten is inmiddels duidelijk dat hetzelfde geldt voor klanten van de supermarkt (NMa besluit 26 mei 1998, zaak 377 (Bonuskaart Albert Heijn)), gebruikers van postbussen (NMa besluit 11 november 1998, zaak 13 (Klagers/PTT Post)) en de reizigers op een bepaalde vliegroute (NMa besluit 8 november 2000, zaak 906 (Swart/KLM)). Ook een klant die postzegels niet kon betalen met een pinpas of chippas van een andere bank dan de Postbank onderscheidt zich noch van grote aantallen anderen die postzegels kopen bij de Postbank noch van anderen die postzegels kopen en geen rekening hebben bij de Postbank (NMa besluit op bezwaar 9 september 2003, zaak 3444 (Halbertsma)). Zie voorts bijvoorbeeld NMa, besluit op zaak 5035 (NMa besluit 28 juni 2005, zaak 5035 (Nijhof/ABN AMRO)). Uit de situatie van de heer Nijhof blijkt dat hij als passagier op de luchthaven Schiphol die gebruik maakt (dan wel moet maken) van de diensten van de zich op de luchthaven bevindende vestiging van ABN AMRO omdat geen andere bankvestigingen aldaar aanwezig zijn, wellicht (enig) belang heeft bij meer en vooral andere bankvestigingen op genoemde luchthaven, maar daarin onderscheidt hij zich niet van een willekeurig andere passagier die op de luchthaven Schiphol gebruik maakt (dan wel moet maken) van de diensten van ABN AMRO; NMa besluit op bezwaar 17 december 2003, zaak 3274 (LTO Nederland). De Bezwaarmaker is in LTO Nederland als melkveehouder geen belanghebbende bij het bestreden besluit omdat geen sprake is van een belang dat zich in rechtens relevante mate onderscheidt van andere melkveehouders; NMa besluit op bezwaar 7 november 2002, zaak 3051 (Scheepsbouwkundig Advies en RekenCentrum SARC/ABN-AMRO). De belangen van SARC. onderscheiden zich niet in voldoende mate van de belangen van de vele andere personen die van de effectendienstverlening van de banken gebruik maken.
Vgl. Van Wijk/Konijnenbelt &Van Male 2005, p. 69-70.
Zie Korsten 2004, nr. 11.3.1, p. 280.
Om belanghebbende in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb te zijn moet er een persoonlijk geïndividualiseerd belang aanwezig zijn. Met persoonlijk geïndividualiseerd belang wordt bedoeld dat het moet gaan om een eigen belang waarmee men zich onderscheidt ten opzichte van willekeurige anderen. In de Memorie van Toelichting bij artikel 1:2 Awb staat dat
'ook een persoon van wie gezegd kan worden dat hij enig belang heeft, doch die zich op dat punt niet onderscheidt van grote aantallen anderen, niet [kan] worden beschouwd als een persoon met een rechtstreeks betrokken belang'.1
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven geeft aan het criterium van voldoende persoonlijk belang de volgende betekenis:
'Met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende is door de wetgever een begrenzing beoogd van de kring van degenen die tegen een besluit beroep kunnen instellen. (...) Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest beroep open te stellen voor een ieder. Er zal dan ook sprake moeten zijn van een specifiek, individueel belang van betrokkene, dat door het besluit wordt geraakt en waardoor de positie van de betrokkene zich onderscheidt van die van willekeurig iedere andere elektriciteitsafnemer.'2
De gedupeerde consument die schade lijdt of heeft geleden als gevolg van een mededingingsinbreuk loopt veelal tegen de beperkende voorwaarde aan dat er sprake moet zijn van een bijzonder persoonlijk belang. Dit is een criterium dat als gevolg heeft dat consumenten vaak niet als belanghebbende worden aangemerkt nu men door het besluit directer dient te worden geraakt dan anderen die een vergelijkbare positie innemen ten opzichte van het besluit.3 Men maakt veelal deel uit van een groep afnemers en het eigen belang van de individuele consument kan niet goed worden onderscheiden van het belang van de groep als geheel.4 Het eigen belang wordt in dat geval als onvoldoende kenmerkend of individualiseerbaar beschouwd.5 Concurrentiebelangen die in het geding zijn maken concurrenten van schenders van het mededingingsrecht vaak wel belanghebbende in de zin van de Awb.6 Bij concurrenten wordt dan ook vaak voldaan aan de eis van een persoonlijk geïndividualiseerd belang.
Anders dan in het burgerlijk recht geldt geen relativiteitseis (Schutznorm) zoals is neergelegd in artikel 6:163 BW. De vraag of de regeling waarop het besluit is gebaseerd tot doel heeft de belangen van de eiser te beschermen, is dus in beginsel niet relevant. De belangen waarin de aanvrager beschermd wil worden, behoeven geen deel uit te maken van de belangen die bij de voorbereiding van het desbetreffende besluit moeten worden afgewogen.7 De gelaedeerde van een mededingingsinbreuk die in een persoonlijk belang wordt getroffen zal in beginsel ontvankelijk zijn indien de gelaedeerde vraagt een last onder dwangsom op te leggen die ertoe strekt de overtreding te beëindigen. De ontvankelijkheid van de gelaedeerde zal echter ontbreken bij de aanvraag tot het opleggen van een boete, nu de aanvrager door het opleggen van een boete niet in zijn belang wordt getroffen.