Einde inhoudsopgave
Vertrouwen voorop (IVOR nr. 114) 2019/4.2.2
4.2.2 20e eeuw: Staatscommissies, wetsontwerpen en de geboorte van de registeraccountant
E.V.A. Eijkelenboom, datum 01-05-2019
- Datum
01-05-2019
- Auteur
E.V.A. Eijkelenboom
- JCDI
JCDI:ADS609841:1
- Vakgebied(en)
Financieel recht / Financieel toezicht (juridisch)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
NIVA 1900a, NIVA 1900b en NIVA 1900c.
Deze wetten stammen uit 1883 respectievelijk 1898, zie NIVA 1900b, p. 2.
NIVA 1900b, p. 2 en 6.
NIVA 1900b, p. 3.
Waarbij het NIVA met ‘accountant’ enkel leden van het NIVA bedoelde. NIVA 1900b, p. 3. Dat het soms lang duurt voor voorspellingen werkelijkheid worden is niet alleen toepasselijk op de wettelijke regeling voor accountants maar ook, zo signaleert Bootsma, op het vennootschapsrecht, Bootsma 2018.
Zie voor een schematische weergave van het wetsontwerp Bijlage C, tabel 1.
Het wetsontwerp van het NIVA sloot bij de bepalingen over het toezicht op accountants aan bij de statuten van het NIVA en de ontwerpwet voor het notariaat. Deze ontwerpwet vormde ook de basis voor de organisatorische kant van de regeling van de examens voor accountants, NIVA 1900b, p. 4.
De door het NIVA voorgestelde Raad van toezicht bevat al kenmerken van het hedendaagse tuchtrecht voor accountants. Zo is de voorzitter van de accountantskamer – net als in het NIVA wetsontwerp – een onafhankelijke rechter (art. 12 lid 1 Wtra) en bevinden zich naast rechterlijke ambtenaren ook accountants of deskundigen onder de leden (art. 12 lid 2 Wtra) maar ontbreken vandaag de dag vertegenwoordigers van de controlecliënten in de accountantskamer. Tevens is het hedendaagse tuchtrecht – zoals eveneens werd beoogd door het NIVA – een klachtrecht (art. 22 Wtra). De ‘Raad van toezicht’ uit het NIVA-wetsontwerp bezat overigens de bevoegdheid om ambtshalve op te treden ‘wanneer het openbaar gerucht een accountant als schuldig aan onwaardige handelingen aanwijst’ (art. XV), NIVA 1900b, p. 5-6 en NIVA 1900c, art. 10-21. In het hedendaagse tuchtrecht kan de accountantskamer ‘enkel’ behandeling van ingetrokken klachten voortzetten om redenen aan het algemeen belang ontleend. (art. 30 Wtra). Zie daarover in kritische zin: Van Campen 2015, p. 80-81 en Garvelink 2009.
Handelingen II, 1903/04, 8 december 1903, p. 743 en Handelingen II, 1906/07, 6 december 1906, p. 704-705.
Handelingen II, 1903/04, 9 december 1903, p. 781.
In vergaderjaar 1904/05 werd het voorstel tot wijziging van de regeling voor de N.V. besproken waarbij de wet voor het accountantswezen werd aangehaald en opgemerkt werd dat indien er een wettelijke verplichting voor de accountant komt om toe te zien op de financiële verslaglegging van de N.V., er dan eveneens aanvullende regelingen voor civiel- en strafrechtelijke aansprakelijkheid van commissarissen nodig zijn, Kamerstukken II, 1904/05, 2 IV, 14, p. 7.
Handelingen II, 1903/04, 8 december 1903, p. 743. Een van de doelstellingen van het NIVA wetsontwerp was het creëren van waarborgen van bekwaamheid door middel van het stellen van opleidingsvereisten aan de accountants, zie Ontwerp Wet tot regeling van het beroep van accountant, nr. 2, p. 4.
Uit diverse statuten en toelichtingen bij wetsvoorstellen uit het begin van de 20e eeuw blijkt dat de accountant met regelmaat de bevoegdheid krijgt de financiële verslaggeving te controleren of de raad van commissarissen bij te staan in hun taak toezicht te houden op het bestuur en het beleid. Zie bijv. art. 91 van de MvT van het ‘ontwerp van Wet tot verzekering van personen, werkzaam in het zeevaartbedrijf en in het zeevisschersbedrijf, tegen geldelijke gevolgen van bedrijfsongevallen 1912’ waarin de Raad van Toezicht van de Zeebedrijfsvereeniging de mogelijk krijgt om de boeken door een accountant te doen laten nazien en in art. 23 van de MvT bij de wet ‘Heffing eener belasting op plaatsbewijzen voor personenvervoer met openbare middelen van vervoer’ waarin de mogelijkheid aan de administratie van de belasting wordt geboden de boekhouding door een accountant te laten onderzoeken, Kamerstukken II, 1912/13, 208, 3, p. 58 respectievelijk Kamerstukken II, 1915/16, 215, 3, p.8; Zie ook art. 25 van de concept statuten van de NV Nederlandse Zout-industrie te Rotterdam waarin commissarissen de bevoegdheid krijgen zich te laten bijstaan door een accountant, Kamerstukken II, 1916/17 376, 2 en Kamerstukken II, 1917/18, 328, 2, p. 6. In Nederlands-Indië, is een centrale kas waaruit accountantscontrole betaald wordt. De trend is daar waarneembaar dat steeds meer banken – 27 t.o.v. 15 in het voorgaande jaar – de boekhouding laten nakijken,Kamerstukken II, 1915/16, 5, I, hoofdstuk J, afdeling VII, p. 114.
Zie voor het pleidooi van Van Nispen tot Sevenaer Handelingen II, 1903/04, 8 december 1903, p. 743-746 en Handelingen II, 1903/04, 9 december 1903, p. 781.
Handelingen II, 1903/04, 9 december 1903, p. 771. Dit is in lijn met de latere ontwikkeling dat een minister pas maatregelen nemen als de accountant de cijfers heeft bekeken en zekerheid aan de cijfers toevoegt, Zie bijvoorbeeld Handelingen II, 1916/17, 30 januari 1917, p. 1315.
Kamerstukken II, 1909/10, 217, 3, p. 40, art. 51g.
Zie bijvoorbeeld het pleidooi van Tweede Kamerlid Goeman Borgesius Handelin gen II, 1903/04, 9 december 1903, p. 771 en de gedachtewisseling tijdens de bespreking van de MvT bij de wijziging en aanvulling van de bepalingen in het WvK met betrekking tot de controle op de N.V. Kamerstukken II, 1909/10, 217, 3, p. 31, art. 44c.
Hoewel er destijds nergens in Europa wettelijke regelingen bestonden, bestond in het Verenigd Koninkrijk (sinds 1880) een regeling bij charter waardoor accountants wel aan bepaalde voorschriften werden gehouden. Daarnaast was er in het Verenigd Koninkrijk ook een civielrechtelijke regeling voor accountants. Ook in Duitsland werd er in die tijd gesproken over een wettelijke regeling voor accountants,Handelingen II, 1906/07, 7 december 1906, p. 732.
Handelingen II, 1906/07, 7 december 1906, p. 720.
Volledigheidshalve vermeld ik hier dat in de beschouwingen uit vergaderjaar 1908/ 09 staat dat enkele Kamerleden meermaals op een wettelijke regeling voor de accountants hebben aangedrongen en zich afvragen of de Minister een wetsvoorstel gaat indienen, Kamerstukken II, 1908/09, 2 X, 8, p. 9.
Deze staatscommissie-Van Nierop is geïnstalleerd op 25 juni 1918 en wordt voorgezeten door Mr. F.S. van Nierop. Zie Staatscommissie-Van Nierop, 1920.
De subcommissie voor het accountantswezen bestond uit J.G.C. Volmer (voorzitter), buitengewoon hoogleeraar aan de Nederlandsche handelshoogeschool te Rotterdam, te ’s-Gravenhage; Mr. R. Bouwman, hoofd van het bureau voor den accountantsdienst der directe belastingen, te ’s-Gravenhage; H. Burgmans Czn., accountant te ’s-Gravenhage; Th. Limperg Jr., accountant te Amsterdam; J. Polak, accountant te Rotterdam; en G. Smits, accountant te Haarlem.
Zie voor het wetsontwerp, de ontwerp MvT en AmvB Staatscommissie-Van Nierop, 1920, p. 6-83. Zie voor een schematische weergave van het wetsvoorstel-Van Nierop bijlage C, tabel 2.
Zie bijlage D voor een schematisch overzicht van de ontwikkeling van accountantsverenigingen tot 1940. Mogelijke verschillen tussen accountantsexamens komen wellicht ook voort uit overzeese mogelijkheden, zo had de Nederlandsche Bond van Accountants sinds 1922 ook een afdeling in Nederlands-Indië waar het mogelijk was het accountantsexamen af te leggen, Kamerstukken II, 1928/29, 5, I, p. 105. Tevens was er debat over de opleiding en het onderwijs voor accountants in overheidsdienst. Zo bleken adjunct accountants in overheidsdienst voorstander van cursussen voorafgaand aan het rijksexamen omdat afleggen van een examen bij een particuliere vereniging mogelijk nadelige gevolgen voor onafhankelijkheid met zich bracht doordat de accountant in overheidsdienst wellicht diegenen zou moeten controleren waar zij examen hadden gedaan,Kamerstukken II, 1921/22, 2 VII B, 14, p. 4. Om financiële en tijd technische redenen werd het geven van cursussen echter niet wenselijk geacht, Kamerstukken II, 1921/22, 2 VII B, 15, p. 11.
Staatscommissie-Van Nierop 1920, p. 75.
Blijkens het citaat uit het eerste artikel: “De uitoefening van het accountantsberoep is vrij”, Staatscommissie-Van Nierop 1920.
Geens 1988, p. 131.
Zo werden in het wetsontwerp-Van Nierop onder meer verplichtingen voor onderwijs (stadium 2) en artikelen ter bescherming van het beroep (stadium 3) opgenomen.
Art. 14 Wetsvoorstel-Van Nierop. Om de frisse blik in het toezicht te bewaren bevatte het wetsvoorstel ook vereisten voor het rooster van aftreden (art. 16).
Art. 20 Wetsvoorstel-Van Nierop. Zie hierover uitgebreider Eijkelenboom 2016, p. 205.
Een voorbeeld van een misstand die aangehaald werd in de parlementaire stukken is die van de Hanzebank in Den Bosch waar de accountant twee balansen had opgesteld, een voor de commissarissen en een voor het publiek, Handelingen II, 1923/24, 26 februari 1924, p. 882.
Handelingen II, 1923/24, 26 februari 1924, p. 882.
Om een wetsvoorstel voor het accountantswezen op te kunnen stellen dienden de ministeries van Justitie en Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen samen te werken met het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid.
Minister Heemskerk stelde: “Men moet zich dus niet voorstellen, dat een dergelijke regeling een panacee voor alle kwalen is.” Handelingen II, 1923/24, 27 februari 1924, p. 910.
‘Door de algemeene vergadering van aandeelhouders kan en, voorzoover zulks door de akte van oprichting is voorgeschreven, zal een deskundige worden benoemd, teneinde op de boekhouding regelmatig toezicht te houden, alsmede om aan de algemeene vergadering verslag uit te brengen omtrent de door het bestuur ontworpen balans en winst- en verliesrekening met toelichting […]’ Stb. 1928, 216, p. 261.
Zie bijvoorbeeld Heemskerk en Dykstra 1929, p. 26 en De Vries 1985, p. 136-137. Tijdens de parlementaire behandeling merkte Tweede Kamerlid Van den Tempel over het woord ‘deskundige’ op dat ten tijden van het opstellen van de wetsontwerp het nog niet gangbaar was om in het burgerrecht te spreken van de accountant, maar dat dat inmiddels wel het geval is zodat het woord deskundige voor accountant vervangen zou kunnen worden. Hij stipte daarbij wel aan dat de werking van de wet op de N.V. zal afhangen van de kwaliteit van de accountant. Daarom zou er ook een wettelijke regeling voor het accountantswezen gemaakt moeten worden waarbij hij stelde dat daarvoor “de bouwstoffen toch reeds aanwezig zijn”, Handelingen II, 1926/27, 22 maart 1927, p. 1793. In reactie daarop betoogde Minister Donner van Justitie dat het woord ‘accountant’ nog geen begrip in de Nederlandse wetgeving was en, in lijn met zijn voorganger minister Heemskerk, dat de wettelijke regeling voor het accountantswezen buiten het bereik van het ministerie van Justitie viel, omdat het gereserveerd is voor de ministeries van Arbeid, Handel en Nijverheid en het ministerie van Financiën. Donner merkte daarbij op dat hij wel meende te hebben begrepen dat ze bij die Ministeries bezig zijn “iets te ontwerpen in de richting van register-accountant”. Doordat het wetsontwerp voor accountants zich nog in een vroeg stadium bevond uitte hij zich sceptisch over het opnemen van het woord ‘accountant’ in plaats van ‘deskundige’ in de wet op de N.V. Handelingen II, 1926/27, 23 maart 1927, p. 1810.
Voor de accountants in dienst van de directe belastingen werd zelfs een rijksexamen ingesteld om de deskundigheid te borgen, Kraayenhof 1955, p. 63.
Kraayenhof 1955, p. 59. Zo wordt de term ‘accountant’ uit wetgeving geweerd, zie bijv. Kamerstukken II, 1929/30, 45, 1, p. 12 over de Gemeentewet waarin het woord ‘ambtenaar’ staat terwijl in de praktijk veelal een accountant gebruikt wordt, die niet per se een ambtenaar hoeft te zijn. Voorstel om het woord ‘ambtenaar’ in ‘deskundige’ – in lijn met WvK – te veranderen. Zie tevens het gebrek aan stimulans voor verplichting van accountantscontrole zo geeft de minister aan bereid te zijn een accountant naar boekhouding van landbouwbedrijven te laten kijken wanneer het Kamerlid de boekhouding aandraagt, want zo merkt de minister op “want vooreerst kan ik een landbouwer niet dwingen een boekhouding er op na te houden, maar nog minder kan ik hem dwingen zijn boeken aan mij te geven”, Handelingen II, 1919/20, 21 oktober 1920, p. 106. Bij de wijziging van het WvK wordt opgemerkt “Commissarissen moeten belast zijn met het toezicht, dat niet aan anderen – men denke aan een accountant – is opgedragen.”, Kamerstukken II, 1924/25, 69, 1, p. 30. In de praktijk lijkt de rol van de accountant te groeien zo worden in statuten door N.V.’s wel aan de accountant bevoegdheden toegekend, bijvoorbeeld het opvragen van informatie bij het bestuur, zie bijvoorbeeld de statuten van de N.V. Gemeentelijke Credietbank uit Den Haag waarin de accountant expliciet benoemd wordt als aan te wijzigen deskundige door de raad van commissarissen en de accountant ook de bevoegdheid in de statuten krijgt om bijv. informatie op te vragen bij de raad van bestuur,Kamerstukken II, 1920/21, 423, 4, p. 6-10. Daarnaast kan een aanwijzing voor groei van het accountantsberoep ook gevonden worden wanneer gekeken wordt naar het gemiddeld aantal Tweede Kamerstukken per gedefinieerde periode. In de periode van vergaderjaar 1919/20 – 1929/30 zijn er gemiddeld 29,5 Tweede Kamerstukken per jaar, dit is een stijging t.o.v. voorgaande periodes waar gemiddeld 2,4 (1838-1900) en 16,3 (1900-1920) stukken per jaar zijn die het woord accountant bevatten.
Het wetsontwerp werd onder leiding van Limperg opgesteld door leden van de Nederlandschen Bond van Accountants, het Nederlandsch Instituut van Accountants en de Nederlandsche organisatie van Accountants. Zie over Limperg het toegankelijke stuk van Quadackers 2015b.
De commissie-Bijleveld ontleende haar naam aan de voorzitter, mr. H Bijleveld en werd naast een aantal juristen in meerderheid samengesteld uit accountants die lid waren van de drie beroepsorganisaties die het wetsontwerp hadden ingediend.
De Vries 1985, p.142-143. Zie voor een schematische weergave van het wetsont werp-Bijleveld bijlage C, tabel 3. Anders dan in de voorgaande wetsvoorstellen ontbreekt in dit voorstel de verplichting tot het afleggen van een accountantseed. Bepalingen ten aanzien van toezicht en tucht zijn wel onderdeel van het wetsontwerp gebleven.
Zo ontbreken stukken die zien op de plenaire behandeling van het wetsontwerp en werd de minister – terwijl er een wetsontwerp is – zelfs gevraagd een wettelijke regeling voor accountants te overwegen omdat de situatie te wensen overlaat, zieKamerstukken II, 1932/33, 2 X, 8, p. 6.
Zie bijvoorbeeld Bezwaren 1930.
Zie paragraaf 6.1 en Kamerstukken II, 1938/39, 385, 3, p. 10.
Zie voor een schematisch overzicht van het wetsontwerp bijlage C, tabel 4. De commissie-Bijleveld gaf haar wetsontwerp de naam ‘Accountantswet’. Voor het aangepaste wetsontwerp is als titel ‘Wet op de registeraccountants’ gekozen, zie artikel 73, Staatscommissie Bijleveld 1930, p. 43 en art. 85Kamerstukken II, 1938/ 39, 385, 2, p. 8.
Art. 6 wetsontwerp commissie-Bijleveld.
Zie artikel 8, 9 en 10 wetsontwerp commissie-Bijleveld. In het Ontwerp Kamerstukken II 1938/39, 385 wordt o.a. voorgesteld om deze raden te verkleinen van zeven naar vijf en om de minister een grotere rol te geven bij de benoeming van de leden. Nieuw is de geheimhoudingsplicht voor de leden van de organen (art. 15 Ontwerp Kamerstukken II, 1938/39, 385)
Art. 34 en 35, Kamerstukken II, 1938/39, 385, 2.
Er werd een commissie van toelating opgericht die diende te beoordelen of iemand op andere dan in de wet genoemde gronden toch kon toetreden tot het accountantsregister, zie afdeling 9, Kamerstukken II, 1938/39, 385, 2, p. 6-8.
Zie bijvoorbeeld art. 8 lid 2, Kamerstukken II, 1938/39, 385, 2, p. 1.
Zo werd de minister enkele maanden na het verschijnen van het wetsontwerp gemaand om de Wet op de Registeraccountants snel in te voeren, zie Handelingen II, 1939/40, 5 oktober 1939, p. 34. Ook werd op 2 mei 1939 een verzoekschrift ingediend met als onderwerp het wetsontwerp voor het accountantswezen. Hoewel het verzoekschrift niet nader werd besproken en de inhoud daardoor onduidelijk is gebleven geeft het verzoekschrift wel blijk van de aandacht die er voor het wetsontwerp was, Handelingen II, 1938/39, 2 mei 1939, p. 1711. Zie voorts de beschouwingen van het wetsontwerp door Tweede Kamerleden Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1;Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2; Kamerstukken II, 1939/40, 72, 3; en Kamerstukken II, 1939/40, 72, 4. Bij bespreking van het wetsontwerp ‘Wet op de registeraccountants’ werd het voorstel gedaan om de naam te wijzigen naar ‘Registeraccountantswet’ omdat de verwachting was dat de wet in het algemeen spraakgebruik wel zo geduid zou worden, Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1, p. 5.
Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1, p. 2. Een omschrijving van het accountantsberoep en vereisten voor de bekwaamheid en betrouwbaarheid van personen die het accountantsberoep wilden uitoefenen ontbraken in het wetsvoorstel. Doordat in de maatschappij vakbekwaamheid en handelskennis vereist werd van ondernemers lag het volgens de Tweede Kamerleden voor de hand om aan alle accountants vereisten te stellen, zie Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1, p. 1. Het belang van een goed gereguleerd accountantsberoep werd voorts onderstreept door de opmerking: “Indien ergens, dan dient wel juist bij het accountantsberoep het kaf van het koren te worden gescheiden”. De opleidingseisen die uit het wetsvoorstel voortvloeiden waren te hoog, in de praktijk zal niet altijd een academisch geschoolde accountant nodig zijn. Voorts riepen de voorgestelde overgangsmaatregelen de vrees op dat het uitvoeren van accountantswerkzaamheden bemoeilijkt werd en leden van accountantsverenigingen die niet expliciet benoemd waren in het wetsvoorstel in een nadelige positie bracht. Daarnaast zouden sommige Tweede Kamerleden ook meer achtergrondinformatie over de accountantsverenigingen, met name over aantallen en opleiding van de leden willen hebben, Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 10 en zie bijlage D voor de schematische weergave van de ontwikkeling van accountantsverenigingen tot 1940.
Rechtsbescherming van accountants blijft actueel, zie bijvoorbeeld Van Beek, Boonzaaijer, De Doelder e.a. (red.) 2016 en over het risico van tekortschietende rechtsbescherming van accountantsorganisaties bij een informele toezichtstrategie van de toezichthouder Eijkelenboom 2018a.
Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1, p. 4. Tweede Kamerleden benadrukken dat het ook mogelijk moet zijn om bij de keuze voor een accountant, in plaats van een registeraccountant, betrouwbare voorlichting te krijgen. Registeraccountants en accountants zouden naast elkaar kunnen en moeten bestaan.
Vertrouwen is nodig omdat de controlewerkzaamheden met daaruit voortvloeiende verklaring voor opdrachtgevers en derde-belanghebbende lastig te monitoren zijn en de derde belanghebbende daarnaast ook geen invloed kan uitoefenen op de keuze voor de accountant Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 7-14.
De minister lijkt zich bewust te zijn van het bestaan van een verwachtingskloof (zie par 2.2) Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 7.
Zij gaven daarvoor drie alternatieven (i) uniforme eisen voor vakbekwaamheid en betrouwbaarheid voor toetredende accountants en al werkzame accountants toetsen op betrouwbaarheid; of (ii) uniforme eisen voor vakbekwaamheid en betrouwbaarheid voor toetredende accountants en de al werkzame accountants toetsen op betrouwbaarheid en beoordelen op vakbekwaamheid; of (iii) naast registeraccountants ook een andere categorie accountants creëren met eigen bekwaamheidseisen,Kamerstukken II, 1939/40, 72, 1, p. 1-2 en Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 7.
In reactie op de alternatieven die de Kamerleden aandroegen gaf hij aan geen voorstander te zijn van het creëren van twee groepen accountants. Tevens gaf hij aan dat het toetsen op enkel betrouwbaarheid een onwenselijke situatie opleverde omdat de vakbekwaamheid van (een gedeelte van) de huidige accountants nog jaren tekort zal schieten en daarmee het doel voorbij werd gestreefd. Bij het voorstel om de vakbekwaamheid van al werkzame accountants te beoordelen werden, volgens de minister, ook twee standaarden gecreëerd waardoor het lang zou duren voordat de groep accountants een uniforme groep zou zijn Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 8.
Zie voor de nota van wijziging en het gewijzigd ontwerp van wet Kamerstukken II, 1939/40, 72, 3 en Kamerstukken II, 1939/40, 72, 4.
Kamerstukken II, 1939/40, 72, 2, p. 13-14.
In vergaderjaar 1950/51 komt het verzoek tot verlenging van de termijn voor het gereedmaken van het wetsontwerp tot vaststelling van de regelen van het accountantswezen,Handelingen II, 1950/51, 17 oktober 1950, p.161, waaruit blijkt dat op de achtergrond nog aandacht bestaat voor wetgeving voor accountants.
Kraayenhof 1955, p. 61. Er is daarnaast ook summiere parlementaire aandacht voor de wetgeving voor accountants wanneer een Kamerlid de wet voor accountants aanhaalt bij bespreking van de titelbescherming voor belastingconsulenten (Handelingen II, 1953/54, 1 december 1953, p. 482) of wanneer de wet voor accountants wordt aangehaald bij het debat over onderwijsvereisten voor rijksaccountants zie Aanhangsel Handelingen II, 1950/51, 29.
Kraayenhof 1955, p. 61. Tweede Kamerleden Janssen en Hofstra merken in dit verband op dat het vijftigjarig bestaan van het accountantsberoep een belemmering vormt bij de totstandkoming van een wet voor accountants. Zij menen dat de wet geregeld had moeten worden toen het accountantsberoep nog jong was, Handelingen II, 1953/54, 1 december 1953, p. 485 en p. 487.
‘Bij beschikking van de staatssecretaris van economische zaken van 5 april 1954, no. 3592, W.J.A. (Stcrt. 67), is een commissie ingesteld met de opdracht advies uit te brengen omtrent het vraagstuk der wettelijke regeling van het accountantswezen. Commissie heeft op 31 mei 1956 een rapport uitgebracht welke is gepubliceerd.
Na kennisneming van de reacties op wetsvoorstel-Van de Grinten wordt het opstellen van een nieuw wetsontwerp in overweging genomen, Kamerstukken II, 1956/57, 4500 X, 2, p. 20. De reacties zijn niet inzichtelijk, wel is uit de parlementaire stukken af te leiden dat er aan het wetsvoorstel aandacht is besteed in de media en ook hebben belanghebbenden, en de economische hoge scholen en universiteiten met een economische faculteit de gemeente geadviseerd, Kamerstukken II, 1959/60, 5519, 2 en Kamerstukken II, 1959/60, 5519, 3. Verschillen tussen het wetsontwerp-Van de Grinten en de WRA zijn grotendeels technisch van aard, Kamerstukken II, 1959/60, 5519, 3, p. 12. Zie voor een schematische weergave van het wetsontwerp-Van de Grinten bijlage C, tabel 5.
Wet van 1 juli 1963, Stb. 1962, 258. Overigens is de WRA nog niet in werking of er wordt al opgemerkt dat er noodzaak is te komen tot een regeling voor degenen die het accountantsberoep uitoefenen en die niet als registeraccountant kunnen worden ingeschreven, Handelingen II, 1961/62 15 november 1962, p. 3117. Zie voor een schematische weergave van de WRA bijlage C, tabel 6.
De Vries 1985; Van den Berg, 2012; en Kamerstukken II, 1959/60, 5519, nr. 3, p. 11.
In 1972 is de Wet op de accountants-administratieconsulenten (WAA) in werking getreden (Wet van 13 december 1972, Stb. 1972, 748) waardoor ook accountants- administratieconsulenten in het accountantsregister werden opgenomen, onderworpen werden aan wettelijke kwaliteitsvereisten en onder toezicht kwamen te staan.
Het eerste wetsontwerp voor de Wet tot regeling van het beroep van accountant dateert van 1900 en werd opgesteld door de commissie voor de wettelijke regeling van het NIVA.1 In het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten bestonden op dat moment al wettelijke regelingen voor accountants. Het NIVA liet deze buiten beschouwing omdat zij meende dat de buitenlandse regelingen vanwege staatsrechtelijke verschillen niet in Nederland geïmplementeerd konden worden.2 Het NIVA achtte een wettelijke regeling voor de uitoefening van het accountantsberoep in het werkelijke belang van het publiek, omdat het beroep daardoor in aanzien zou kunnen winnen en het publiek beter beschermd zou worden tegen ‘beunhazerij’.3 De bescherming van het publiek zou voortvloeien uit wettelijke bekwaamheidsvereisten voor accountants en de instelling van toezicht zoals dat bij andere vrije beroepsbeoefenaars in die tijd al gebruikelijk was.4 Het NIVA tekende hierbij wel aan dat zelfs met een wettelijke regeling misbruik niet te voorkomen zal zijn.
Met het wetsvoorstel beoogde het NIVA niet het gehele accountantsberoep te regelen. Slechts indien er een wettelijke plicht bestond tot het gebruik van accountantsdiensten zou het door het NIVA opgestelde wetsvoorstel van toepassing zijn. “Dat de wetgever van de toekomst aan den accountant eene plaats zal aanwijzen is stellig te verwachten”, merkte het NIVA daarbij op.5 Het wetsvoorstel van het NIVA, bestaande uit 24 artikelen, beoogde een drietal onderwerpen te regelen, te weten (i) de beëdiging van de accountant, (ii) waarborgen van bekwaamheid en (iii) behoorlijk toezicht.6 De waarborgen voor bekwaamheid van de accountant werden nader ingevuld door het verplicht stellen van een accountantsexamen dat door het NIVA afgenomen diende te worden.7 Het toezicht op de accountants werd in het wetsontwerp vormgegeven door een ‘Raad van toezicht’ bestaande uit een ‘rechtsgeleerde voorzitter’, twee accountants en twee kooplieden die de cliënten van de accountants vertegenwoordigden.8 Het door het NIVA opgestelde wetsontwerp is naar mijn weten nooit plenair besproken.
Enkele jaren later, aan het begin van de 20e eeuw, bepleitte Tweede Kamerlid Van Nispen tot Sevenaer een wettelijke regeling voor accountants naar aanleiding van faillissementen en financiële schandalen.9 Doordat bedrijven in groeiende mate door de staat of gemeente geëxploiteerd werden was het in zijn optiek niet alleen noodzakelijk om een accurate administratie te voeren maar deze ook te (laten) controleren. Voorts zouden bestuurders bij oprichting en beheer van de N.V. deze moeten laten controleren door officieel erkende accountants.10 Overigens tekende hij Van Nispen tot Sevenaer hierbij aan dat het aanstellen van een accountant voor toezicht op de N.V. geen overheidstaak was, maar een verplichting voor de vennootschap.11 Controle was, in de optiek van Van Nispen tot Sevenaer, het belangrijkste middel om fraude te voorkomen. En de accountant vormde vanwege zijn deskundigheid de aangewezen persoon om deze controle uit te voeren.12 Wettelijke bescherming van de accountantstitel ontbrak waardoor eenieder zich accountant kon noemen. En sinds het ontstaan van het accountantsberoep was het aantal accountants toegenomen en de verwevenheid van de accountant met het maatschappelijk verkeer gegroeid. In de praktijk bleek het daardoor lastig de kwaliteit van een accountant vast te stellen.13 Het opstellen van een wettelijke regeling voor accountants was in de optiek van Van Nispen tot Sevenaer dan ook noodzakelijk om de kwaliteit van accountants te borgen.14 Bescherming van de aandeelhouder, of het bredere publiek, werden door zowel de beroepsorganisatie als politici in het politieke debat als argument gebruikt om wettelijke waarborgen voor de accountant te creëren. De in de praktijk voorkomende financiële misstanden leidden er ook toe dat de staat als aandeelhouder en het NIVA er beiden (financieel) belang bij hadden om het accountantsberoep wettelijk te beschermen en kwaliteitseisen aan accountants te stellen. Naar mijn indruk schuilt er dan naast de ideële doelstellingen ook een financiële prikkel in de roep om een wettelijke regeling voor accountants.
Naast de wens tot een wettelijke regeling voor accountants bestond de behoefte aan het wettelijk verplichten tot het gebruik van accountantsdiensten. Een wettelijke mogelijkheid voor de minister om een accountant te kunnen aanstellen om onderzoek te verrichten als basis voor eventuele juridische maatregelen werd daarbij als mogelijkheid gezien.15 Ook zou de commissaris de wettelijke bevoegdheid moeten krijgen om een accountant te kunnen inroepen zodat bestuurders dat niet als blijk van wantrouwen hoefden op te vatten.16 Voor een wettelijke accountantscontroleverplichting van de financiële verslaggeving van N.V.’s bleek de tijd begin 20e eeuw nog niet rijp. Wettelijke controle van de financiële verslaggeving werd onwenselijk geacht, omdat de meerwaarde van de accountant boven de commissaris onvoldoende duidelijk was. Voorts zou een wettelijke controleverplichting voor een groot aantal vennootschappen geen openbaar belang dienen en daardoor slechts onnodige bemoeienis en onkosten tot gevolg hebben.17 Minister Van Raalte van Justitie maakte onomstreden duidelijk dat Nederland nog niet klaar was voor een wettelijke regeling voor accountants en wettelijke accountantscontroleverplichting wanneer hij stelt:
‘Ik heb daarop voorloopig geen plan. Die zaak trekt mij niet aan en ik acht een wettelijke regeling, die in Europa18, geloof ik, nergens bestaat, niet noodig; […] laat ons zorgen dat die wettelijke regeling van het accountantsbedrijf niet wordt een spijker waaraan de regeling van de naamlooze vennootschappen […] wordt opgehangen.’19
Pas met het verschijnen van het rapport van de staatscommissie-Van Nierop in 1920 – veertien jaar na de opmerking van Minister van Raalte – leek er weer aandacht te komen voor een wettelijke regeling voor de accountant.20 De staatscommissie-Van Nierop had de opdracht om “na te gaan of – en zoo ja, op welke wijze – eene wettelijke regeling van het handelsonderwijs en het accountantswezen behoort te worden getroffen, met bepaling dat het door haar daaromtrent uit te brengen verslag vergezeld zal gaan van een beredeneerd voorstel, bevattende de uitwerking van hare denkbeelden in den vorm van een of meer ontwerpen van wet.”21 De staatscommissie werd vervolgens opgedeeld in een drietal subcommissies die achtereenvolgens zagen op (1) het hooger handelsonderwijs, (2) het lager en middelbaar onderwijs en (3) het accountantswezen. De subcommissie voor het accountantswezen bestond voor het merendeel uit accountants waardoor er een nauwe betrokkenheid was van de beroepspraktijk bij de totstandkoming van het wetsontwerp.22 Opvallend is voorts dat het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen de invalshoek vormde voor het opstellen van het wetsontwerp voor het accountantswezen zodat de nadruk op de wettelijke waarborgen voor bekwaamheid van accountants werd versterkt.
Het ontwerp van de Wet tot regeling van het accountantswezen bestond uit 36 artikelen die verdeeld waren over vijf afdelingen.23 Na vier algemene bepalingen in de eerste afdeling werd in de tweede afdeling ingegaan op de voorwaarden die verbonden waren aan het inschrijven in het accountantsregister. Bescherming van de kwaliteit van accountants die vanuit een wettelijke verplichting werkzaamheden uitvoeren vormde het uitgangspunt van het wetsontwerp. Dit was, meer dan enkele jaren daarvoor, noodzakelijk omdat er een diversiteit aan accountantsverenigingen was ontstaan die elk over eigen toelatingseisen en -examens beschikten.24 De artikelen in de derde afdeling belichtten de rol en taak van de raad van toezicht die belast was met het toezicht op de in het register ingeschreven accountants. Om een accountant te kunnen worden diende een examen te worden afgelegd waarvan de vereisten onderwerp van de vierde afdeling waren. Het wetsvoorstel werd afgesloten met enkele overgangsbepalingen voor de accountants die al accountant, maar nog geen ‘register- accountant’ waren.
“(D)oor geen enkel voorschrift van overheidswege geleid of gestoord, heeft het accountantswezen in Nederland zich in de laatste vijf en twintig jaren krachtig ontwikkeld; steeds belangrijker is de taak geworden, die de accountant in het gemeenschapsleven vervult.”25 De accountant verwierf steeds meer een vaste plek in het maatschappelijk verkeer wat de noodzaak tot het opstellen van een wettelijke regeling onderstreepte. Tegelijkertijd benadrukte de staatscommissie-Van Nierop het belang van het voortbestaan van het vrije beroep.26 Het opstellen van wettelijke vereisten voor het accountantsberoep kan in eerste opzicht strijdig lijken met voornoemd belang. In de ontwikkeling van vrij beroep naar een volwaardige professie worden in de literatuur echter ontwikkelingsstadia onderscheiden waarvan de totstandkoming van wetgeving voor vrije beroepsbeoefenaars er één is. Deze ontwikkelingsstadia zijn (i) het verrichten van een dienst als dagbesteding, (ii) legitimeren van de dagbesteding door het creëren van een verplichte opleiding alvorens de dienst uitgeoefend kan worden (iii) erkenning van het beroep door onder druk van de beroepsvereniging bij de wetgever titelbescherming of een monopoliepositie af te dwingen en ten slotte het ontstaan van (iv) wetgeving met rechten en plichten voor de beroepsbeoefenaar en toezicht op naleving ervan door een beroepsvereniging die bij wet wordt erkend of zelfs is opgericht.27 Het wetsontwerp-Van Nierop, dat omvangrijker was dan het eerdere NIVA-wetsvoorstel, vormde een blijk van de verdergaande professionalisering van het accountantsberoep. In welk ontwikkelingsstadium het accountantsberoep zich ten tijde van het wetsvoorstel-Van Nierop precies bevond, is echter niet eenduidig vast te stellen.28
Het borgen van de kwaliteit van de controlewerkzaamheden werd, naast het opnemen van opleidingsvereisten, verder ingevuld door het opnemen van artikelen over toezicht op de naleving van de regelgeving door accountants. Gelijk aan het NIVA-wetsontwerp diende het toezicht op accountants niet alleen door accountants maar ook door een lid van de rechterlijke macht te worden uitgeoefend.29 Net als in het NIVA-wetsontwerp bevatte het wetsontwerp-Van Nierop, zij het in enigszins gewijzigde vorm, een wettelijke verplichting tot het afleggen van een eed of belofte voor accountants alvorens zij het accountantsberoep mochten uitoefenen.30 In het wetsvoorstel-Van Nierop lag de nadruk meer dan in het NIVA-wetsontwerp op geheimhouding van de aan de accountant toevertrouwde informatie. Reden daarvoor is gelegen in de idee dat vertrouwen in de accountant erodeert bij schending van de geheimhoudingsplicht terwijl, zoals ook vandaag de dag steeds weer blijkt, vertrouwen in de accountant noodzakelijk is voor de waarde van de controle werkzaamheden.31 Overigens rijst vanuit de parlementaire stukken het beeld dat het maatschappelijk vertrouwen in de eerste helft van de 20e eeuw in de accountant en de waarde van de door hem uitgevoerde werkzaamheden groot is. Zo zouden fouten en fraudes in de boekhouding van de N.V. ontstaan doordat het Nederlandse accountantsinstituut onvoldoende gereguleerd was en van commissarissen niet gevraagd kon worden de volledige boekhouding te controleren.32 Bij behandeling van de wetgeving voor de N.V. werd daarom wederom aandacht gevraagd voor een wettelijke regeling voor accountants.33 Doordat de wettelijke regeling voor de N.V. onder het bereik van het ministerie van Justitie en het wetsontwerp-Van Nierop onder het bereik van het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen viel zag minister Heemskerk van Justitie weinig ruimte voor een rol van zijn ministerie bij de totstandkoming van een wet voor het accountantswezen.34 Naast de praktische uitdaging rondom samenwerking van diverse ministeries voorzag hij ook moeilijkheden bij het treffen van een wettelijke regeling voor personen die een vrij beroep uitoefenen omdat zij dat daardoor niet meer zouden doen. Voorts uitte hij zich sceptisch over de mogelijkheid dat een wettelijke regeling ‘knoeierijen’ kon voorkomen.35
Een (kleine) stap in de richting van de wettelijke controleplicht door de accountant kan mogelijk gevonden worden in wetswijziging van het Wetboek van Koophandel in 1928. Door de toevoeging van art. 42a WvK kreeg de algemene vergadering van aandeelhouders de bevoegdheid om een deskundige aan te wijzen die als taak heeft de boekhouding van de N.V. te controleren en aan de algemene vergadering van aandeelhouders uitleg te geven over de balans, winst- en verliesrekening en de toelichting daarop van het bestuur.36 Met de invoering van artikel 42a WvK werd, voor het eerst in de geschiedenis van het boekhouden de mogelijkheid tot externe controle van de balans in de wet opgenomen. Hoewel in de wet de term ‘deskundige’ gebruikt werd, meenden (rechts)geleerden uit die tijd dat er met ‘deskundige’ verwezen werd naar de benoeming en inmenging van de accountant.37 De ontwikkeling van wetgeving voor accountants werd ook beïnvloed door ontwikkelingen in het fiscale recht. Zo gaf Kraayenhof het voorbeeld dat belastingheffing van de overheid op basis van winsten of winstuitkeringen van invloed is geweest op de ontwikkeling van de controlefunctie van de accountant. De bedrijfsresultaten dienden in het belang van de belastingplichtige en de overheid zo nauwkeurig mogelijk berekend te worden en daarom trok de overheid zelf accountants aan om de aangiften te controleren.38
Terwijl wetgeving voor accountants op zich liet wachten ontwikkelde en groeide het accountantsberoep in Nederland zonder al te veel inmenging van de overheid.39 De beroepsgroep van accountants bleef ondertussen actief sturen op de totstandkoming van wetgeving. Drie samenwerkende accountantsberoepsorganisaties stelden onder leiding van, de nu als ‘aartsvader van de Nederlandse accountants’ aangeduide, Limperg een wetsontwerp op dat zij indienden bij het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid.40 En naar aanleiding van het wetsontwerp werd op 2 maart 1928 door de minister van Arbeid, Handel en Nijverheid de commissie-Bijleveld ingesteld.41 De minister achtte een regeling van het accountantswezen wenselijk indien deze zoveel mogelijk aan zou sluiten op de in het maatschappelijk leven opgekomen organisaties. Tevens diende de wettelijke regeling, voor zover mogelijk, de corporatieve zelfstandigheid van de al bestaande accountantsorganisaties te behouden. De commissie- Bijleveld diende advies te geven over de mate waarin het wetsontwerp-Limperg overeenstemde met de door de minister geuite wensen. Het onderzoek van de commissie-Bijleveld mondde uit in een (aangepast) Wetsvoorstel voor het accountantswezen met als kern het voorstel tot oprichting van het Nederlandsch Instituut van Registeraccountants door de drie verenigingen die betrokken waren bij het wetsontwerp-Limperg. Het wetsvoorstel omhelsde voorts dat het nieuw op te richten Nederlandsch Instituut van Registeraccountants een accountantsregister bij zou houden van accountants die een academische opleiding tot accountant met goed gevolg hadden afgerond.42 Het wetsontwerp-Bijleveld heeft, voor zover ik heb kunnen achterhalen, weinig parlementaire aandacht gekregen.43 Een mogelijke verklaring hiervoor zijn de bezwaren die door verschillende belangenverenigingen tegen het wetsvoorstel-Bijleveld werden geuit.44 Die bezwaren zagen met name op het onderscheid dat werd gemaakt tussen accountants van de verschillende accountantsverenigingen bij toetreding tot het accountantsregister.45 De regering heeft vervolgens in samenspraak met de commissie-Bijleveld een nieuw wetsontwerp opgesteld waarbij rekening is gehouden met deze bezwaren.46 Dat wetsvoorstel werd enkele jaren later in de Tweede Kamerstukken opgenomen.47
Het wetsvoorstel wijkt enigszins af van het door de commissie-Bijleveld gepresenteerde ontwerp. Naast een andere titel, tekstuele wijzigingen in het merendeel van de artikelen en enkele aanpassingen van de nummering, waren er ook inhoudelijke verschillen tussen het nieuwe wetsvoorstel en het wetsontwerp-Bijleveld.48 Zo miste de geheimhoudingsplicht voor de registeraccountants in het nieuwe wetsvoorstel49 en werden wijzigingen voor onder meer de omvang en benoeming van de raden van beheer, tucht en beroep voorgesteld.50 Nieuw ten opzichte van het wetsontwerp-Bijleveld was de bevoegdheid voor de Raad van Tucht om getuigen en deskundigen op te roepen.51 Voorts werden de overgangsbepalingen verruimd waardoor er voor accountants meer mogelijkheden kwamen om in het accountantsregister ingeschreven te worden.52 Tenslotte valt het nieuwe wetsontwerp nu onder auspiciën van het ministerie van Economische Zaken, en niet meer onder dat van het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid.
In lijn met het wetsontwerp-Bijleveld werd ook in dit nieuwe wetsontwerp een grote rol voor de overheid weggelegd. Zo werden er verschillende organen gecreëerd – samengesteld uit leden van de verschillende accountantsverenigingen en uit vertegenwoordigers van de regering – die belast werden met het beheren van het accountantsregister. De minister werd daarbij de bevoegdheid gegeven om deze leden te benoemen.53 In de toelichting werd hierover opgemerkt:
“Een zoo rechtstreeksche en innige samenwerking tusschen Overheid en particulier initiatief […] is in dezen vorm voor ons land feitelijk iets nieuws. Intusschen bezit die vorm wel zooveel aantrekkelijkheid, dat er alle aanleiding bestaat, de totstandkoming eener regeling naar grondslag daarvan te bevorderen.”54
De ontwerpwet ‘Wet op de registeraccountants’ werd overwegend positief ontvangen, wel leverde de inhoud van het wetsontwerp een verscheidenheid aan reacties en vragen op.55 Die vragen zagen onder meer op het aanscherpen van de omschrijving van de toelatingsnormen voor het beroep, het toelaten van juristen en deskundigen uit de handelspraktijk tot de Commissie van Toelating en de wenselijkheid van het beschermen van de titel ‘accountant’.56 Zo werd gesteld dat de titel ‘accountant’ onbeschermd blijft met het creëren van een wet voor registeraccountants. En merkten Tweede Kamerleden op dat het wetsvoorstel niet het hele accountantsberoep regelde maar met de instelling van ‘registeraccountants’ een elitegroep creëerde. De kritiek van de Tweede Kamerleden op het wetsontwerp zag voorts op de overgangsbepalingen, die, zo stelden sommige, het uitoefenen van het accountantsberoep voor enkele personen kon ontnemen.57 Andere discussiepunten uit het wetsontwerp zagen op de tekortschietende rechtsbescherming van accountants bij berechting58, de (onduidelijke) verhouding tussen registeraccountants en accountants in dienst van de overheid en de (on)wenselijkheid van inmenging van de overheid.59 Er werden concrete voorstellen voor herziening van artikelen gedaan. In antwoord op de herzieningsvoorstellen stelde de minister dat met de wet beoogd werd om de mogelijkheid te scheppen:
“[…] voor het publiek om hen, die tegen het accountantswerk in zijn vollen omvang zijn opgewassen, te onderkennen van andere beoefenaren van het vak, die daarvoor niet of niet ten volle berekend zijn.”60
De minister gaf daarbij aan dat de bepalingen omtrent betrouwbaarheid en bekwaamheid van accountants verduidelijkt dienden te worden om daarmee het vertrouwen van onder meer opdrachtgevers en derde-belanghebbenden te borgen.61 Dat het wetsvoorstel discussie opriep was volgens de minister overigens niet verwonderlijk, omdat er geen eenduidige definitie van ‘de accountant’ bestond en niet duidelijk werd waaraan een persoon diende te voldoen om zich accountant te mogen noemen.62 Slechts met betrekking tot de werkzaamheden van de accountant werd toegelicht dat het grootste deel ervan van eenvoudige aard is en er daarnaast ook gecompliceerde werkzaamheden bij grotere ondernemingen zijn.63 Voor het uitvoeren van gecompliceerde werkzaamheden dienden zekerheden verschaft te worden aan zowel de opdrachtgever als de derde-belanghebbende met betrekking tot vakbekwaamheid en betrouwbaarheid van de accountant. Daarom werd de registeraccountant in het leven geroepen.
Ondanks de uitgebreide toelichting van de minister op de beoogde reikwijdte van het wetsvoorstel en de bestaansmogelijkheden van de accountant naast de registeraccountant zagen meerdere Tweede Kamerleden voordelen in een regeling voor het gehele accountantsberoep.64 De minister bleef echter van mening dat het accountantsberoep niet volledig bij wet geregeld diende te worden.65 Aan de registeraccountants, door de Tweede Kamerleden aangeduid als ‘de elitegroep’, werden meer bevoegdheden toebedeeld. Dit hoefde echter niet te leiden tot benadeling van de accountants, omdat nog voldoende werk zou overblijven voor de accountants die niet tot het register zouden toetreden. Juist het vrij laten van het beroep zou voor alle accountants ruimte creëren om controlewerkzaamheden uit te blijven voeren. De minister hield, ondanks de vele suggesties, grotendeels vast aan het wetsvoorstel. Op enkele punten gaf hij ook toe aan de door de Tweede Kamerleden geuite bezwaren.66 Zo werd de positie van juristen in de raden van tucht en beroep verankerd in het wetsvoorstel.67 Maar met betrekking tot het risico op tekortschietende rechtsbescherming van accountants stelde de minister dat het in het wetsvoorstel opgenomen systeem van tuchtrecht met beroepsmogelijkheden voldoende waarborgen aan accountants bood. Hoger beroep bij een rechtbank was in zijn optiek niet noodzakelijk, omdat rechters niet thuis zijn in de materie van het accountantsberoep. Tuchtrechtspraak diende door de accountants uitgeoefend te blijven worden omdat de “normen voor beroepsgedragingen van de accountants nog eerst in een stadium van ontwikkeling [verkeren] waarbij het oordeel van hen, die in de accountantswereld als gezaghebbend worden beschouwd, niet alleen niet kan worden gemist, doch zelfs maatgevend behoort te zijn.”68 De minister ging ook akkoord met de voorgestelde naamswijziging van ‘Wet op de registeraccountants’ naar ‘Registeraccountantswet’. Wel merkte hij over de naam ‘registeraccountant’ op dat, hoewel het als voordeel heeft kort en ondubbelzinnig te zijn, hij het woord niet ziet als een verrijking van de Nederlandse taal.69 De totstandkoming van een wetsvoorstel voor accountants was in de bijna vijftig jaar dat het accountantsberoep in Nederland bestond, nog nooit zo dichtbij. Toch is ook dit wetsvoorstel nooit verheven tot wet omdat de Tweede Wereldoorlog de besluitvorming over het wetsvoorstel voor het accountantswezen grotendeels stillegde.70
In 1947 werd het NIVA door de minister van Economische Zaken gevraagd om het wetsvoorstel uit 1939 opnieuw te bestuderen.71 De onderzoeksbevindingen die het NIVA in 1953 publiceerde sloten grotendeels aan op het wetsvoorstel uit 1939.72 Aansluitend hierop werd in 1954 opnieuw een staats commissie onder leiding van Van de Grinten geformeerd die, wederom, de opdracht kreeg om de mogelijkheid van een wettelijke regeling voor accountants te onderzoeken.73 Het door commissie-Van de Grinten in 1956 gepubliceerde rapport met wetsvoorstel vormt de basis voor de WRA.74 In 1962, 62 jaar na het eerste wetsvoorstel voor accountants werd met het ontstaan van de WRA de eerste wet voor accountants een feit.75 Met de inwerkintreding van de WRA in 1963 ontstond eveneens de titel registeraccountant en veranderde het NIVA in het NIVRA, het Nederlands Instituut Van Register Accountants. Het NIVRA kreeg een publiekrechtelijke status en daarmee tevens de wettelijke bevoegdheid gedrags- en beroepsregels regels aan haar leden op te leggen. De accountants die in het accountantsregister werden opgenomen verkregen het recht om de titel registeraccountant te voeren en controlewerkzaamheden. Het accountantsregister diende bij te dragen aan het borgen van de kwaliteit van de controlewerkzaamheden doordat accountants slechts in het register opgenomen konden worden indien zij voldeden aan de aan hen gestelde wettelijke vereisten. Het accountantsregister maakte de kwaliteitseisen transparanter en door opname van de vereisten in de wet, in plaats van de beroepsverenigingen vereisten te laten opstellen voor haar leden, werd bijgedragen aan de uniformiteit ervan. De bepalingen uit de WRA dienden voorts bij te dragen aan het rechtvaardiger maken van de verwachtingen van het publiek met betrekking tot de werkzaamheden die de accountant uitvoerde.76
De jarenlange lobby van de accountantsberoepsgroep voor wettelijke bescherming van de accountant heeft succes gehad. De totstandkoming en inwerkingtreding van de WRA gaan gepaard met formalisering, erkenning en bescherming van de accountant. De WRA kan daarmee gezien worden als een (eerste) kantelpunt in de geschiedenis van het zich steeds verder professionaliserende accountantsberoep. De totstandkoming van deze eerste kwaliteitsbevorderende wet voor accountants staat voorts aan de basis van de voor accountantsorganisaties ontstane kwaliteitsbevorderende wetgeving.77