Einde inhoudsopgave
Waarderingsvragen in het ondernemings- en insolventierecht (O&R nr. 107) 2019/5.5.5
5.5.5 Positie tegenstemmende klasse
mr. drs. S.W. van den Berg, datum 01-11-2018
- Datum
01-11-2018
- Auteur
mr. drs. S.W. van den Berg
- JCDI
JCDI:ADS621705:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Faillissement
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Of een vermogensverschaffer naast de reorganisatiewaarde, als alternatief, de keuze moet hebben om de opbrengst in contanten bij de liquidatie van de vennootschap te ontvangen, is een vraag waarvan de beantwoording buiten het bestek van dit onderdeel valt. Dat is een kwestie die ziet op de vraag of de liquidatie of juist de herstructurering van een vennootschap als referentiekader voor het pre-insolventieakkoord heeft te gelden. Zie voor het onderscheid tussen deze twee kaders en de implicaties daarvan N.W.A. Tollenaar, Het pre-insolventieakkoord (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, § 3.4.4 en § 3.4.5.1. Tollenaar gaat uit van het wettelijke liquidatiesysteem als referentiekader, hetgeen – uiteindelijk – de basis vormt voor zijn opvattingen over de betreffende cram down toetsen van een pre-insolventieakkoord. Ik kom hier in § 5.7.2 op terug.
In paragraaf 5.5.4 ben ik ingegaan op de positie van een individuele tegenstemmende vermogensverschaffer. Ik heb weergegeven dat onder het WCO II-voorstel een expliciete waarborg ontbreekt op het moment dat de tegenstemmende vermogensverschaffer zich bevindt in een klasse die wél met het akkoord instemt. In deze paragraaf ga ik in op het scenario dat een tegenstemmende vermogensverschaffer zich bevindt in een klasse die tegen het akkoord stemt en waarvoor art. 373 lid 2 sub c en sub d WCO II- voorstel relevant worden.
Als een klasse niet met gekwalificeerde meerderheid voorstemt, geldt dat de in de klasse bevindende vermogensverschaffers de waardering (en de daarop gebaseerde uitkering in contanten of in vermogenstitels in de geherstructureerde vennootschap) te laag achten. Bij een tegenstemmende klasse is er voor de inmenging van eigendomsrechten nog minder rechtvaardiging. Het democratische besluit in de betreffende klasse is immers dat het akkoord moet worden verworpen. Op welke grond kan de rechter dan alsnog oordelen dat de rechten van deze klasse worden gewijzigd en het akkoord homologeren?
Onder het WCO II-voorstel worden de belangen van de vermogensverschaffers in een tegenstemmende klasse gewaarborgd door een toets van vermogensvergelijking die uitgaat van enerzijds de opbrengst van die klasse onder het akkoord en anderzijds de opbrengst van die klasse bij vereffening van het vermogen in faillissement. Ik vind dit een onjuiste maatstaf. Voor de cram down van een tegenstemmende klasse moet wat mij betreft worden uitgegaan van de reorganisatiewaarde.1 Dit is de waarde die op grond van de continuïteit van de onderneming met het akkoord (en dus met aangepaste vermogensstructuur) wordt nagestreefd. Het systeem dient erin te voorzien dat de reorganisatiewaarde conform rang over de vermogensverschaffers verdeeld moet worden.