Het EVRM en het materiële omgevingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.2.3.3:12.2.3.3 Het oordeel in de zaak-Allen e.a./VK
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.2.3.3
12.2.3.3 Het oordeel in de zaak-Allen e.a./VK
Documentgegevens:
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS442581:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie EHRM 6 oktober 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Allen e.a./VK, r.o. 65 (zaaknr. 5591/07).
Zie EHRM 6 oktober 2009 (ontvankelijkheidsbeslissing), Allen e.a./VK, r.o. 67 (zaaknr. 5591/07).
EHRM 14 november 2006, Skibińscy/Polen (zaaknr. 52589/99).
Zie EHRM 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth/Zweden, r.o. 15 en 30 (zaaknr. 7151/75).
Zie EHRM 23 september 1982, Sporrong en Lönnroth/Zweden, r.o. 73 (zaaknr. 7151/ 75).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De zaak-Allen e.a./VK is naar mijn oordeel niet goed verenigbaar met het arrest- Sporrong en Lönnroth/Zweden en de Poolse zaken, voor zover het ehrm daarin oordeelde dat de Britse wetgever zijn plicht om een ‘fair balance’ tot stand te brengen niet had geschonden door alleen schadevergoeding te bieden indien de voorgenomen ontwikkeling voldoende zeker was en niet indien de ontwikkeling nog slechts een voornemen was.1 Hetzelfde geldt waar het ehrm in de zaak-Allen e.a./VK de klagers in het kader van de proportionaliteitsbeoordeling tegenwierp dat zij niet geprobeerd hadden hun eigendommen te verkopen en dat hun schade (waardedaling van hun eigendommen) in zoverre hypothetisch van aard was.2 In het arrest-Sporrong en Lönnroth/Zweden en de Poolse zaken waren de voorgenomen ontwikkelingen immers net als in de zaak-Allen e.a./VK in feite slechts voornemens. Dat die voornemens in de Poolse zaken geconcretiseerd waren in bestemmingsplannen doet daar niet aan af. In de zaak-Rosiński/Polen en de vergelijkbare zaak-Skibińscy/Polen3 was immers meer dan vijftien jaar geen financiering beschikbaar voor de uitvoering van het bestemmingsplan, terwijl in alle Poolse zaken evenals in de zaak-Sporrong en Lönnroth/Zweden de voorgenomen ontwikkeling uiteindelijk niet doorging. Het ehrm achtte het in deze zaken (anders dan in de zaak-Allen e.a./VK) wel van belang dat de getroffen eigenaren geen mogelijkheid hadden om schadevergoeding te verkrijgen of de overheid te dwingen het perceel aan te kopen. Wellicht is dit verschil verklaarbaar door het feit dat in de zaak-Allen e.a./VK wel schadevergoeding beschikbaar was voor de eigenaren die heel zwaar door schaduwschade (‘generalised blight’) getroffen waren. Wat betreft het feit dat de klagers in de zaak-Allen e.a./VK niet geprobeerd hadden hun eigendommen te verkopen is het van belang erop te wijzen dat het ehrm dit gegeven in de zaak-Sporrong en Lönnroth/Zweden blijkbaar niet relevant achtte. Sporrong c.s. hadden namelijk nooit geprobeerd het perceel te verkopen, hoewel verschillende andere eigenaren in een vergelijkbare situatie hun percelen wel hadden weten te verkopen.4 Het ehrm overwoog in de zaak-Sporrong en Lönnroth/Zweden zelfs expliciet dat het niet nodig was om na te gaan of de klagers daadwerkelijk schade hadden geleden, omdat hun juridische situatie op zichzelf niet verenigbaar was met de vereiste ‘fair balance’.5