Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/2.2.8
2.2.8 De context van de godsdienstvrijheid
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS450418:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1975/76, 13 872, nr. 3.
Deskundigenrapport: Vermeulen e.a. 2006, p. 38.
Vgl. HvJEU 14 maart 2017, C-157/15, par 39. Hier stelde het HvJEU naar aanleiding van de prejudiciële vraag of werkgevers verboden onderscheid maken wanneer zij zichtbare religieuze, filosofische, of politieke tekens op de werkvloer verbieden, dat zij de vrijheid van godsdienst van hun werknemers mogen beperken mits het beleid dat gevoerd wordt coherent, systematisch en proportioneel is. Deze zaak laat mooi zien dat ook als de uiting (in het kader van art. 9 EVRM) wel valt onder de reikwijdte van de godsdienstvrijheid, de norm van gelijke behandeling in tegenstelling tot de godsdienstvrijheid niet kan worden beperkt in de sfeer van de ander.
Deskundigenrapport: Vermeulen e.a. 2006, p. 68.
Indien ze wel discriminatoir van aard zijn, dan kan het kwalificatievraagstuk een rol spelen in het kader van de discriminatiegrond godsdienst. Bijvoorbeeld in het kader van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).
Overigens is dit niet uniek voor de godsdienstvrijheid. Ook voor andere grondrechten, zoals vrijheid van meningsuiting, demonstratievrijheid, bewegingsvrijheid etc., geldt dat die niet gelden binnen andermans domein.
Deskundigenrapport: Vermeulen e.a. 2006, p. 40.
In deze subparagraaf staat de vraag centraal staat of de context waarbinnen een beroep op de godsdienstvrijheid wordt gedaan, bepalend kan zijn voor de reikwijdte van het grondrechtsobject van de vrijheid van godsdienst. Bezien vanuit de formulering van de beperkingsclausule van artikel 6 Grondwet dient deze vraag, in theorie, bevestigend te worden beantwoord. Lid 1 beschermt de godsdienstuitoefening binnen en buiten gebouwen en besloten plaatsen, waarbij men bij de godsdienstvrijheid binnen gebouwen en besloten plaatsen moet denken aan de eigen (private) sfeer (huis, kerk, school, instelling of vereniging).1 Lid 2 maakt het mogelijk dat de godsdienstuitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen ook door lagere regelgevers dan de formele wetgever kan worden ingeperkt (indien ze die bevoegdheid tenminste van de formele wetgever gedelegeerd hebben gekregen). De wetgever stelt het zo:
‘In beginsel dient ook hier te gelden, dat ieder vrij is zijn godsdienst of levensovertuiging vrij te belijden behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. Wie evenwel de straat opgaat zal zich meer beperkingen op die vrijheid moeten laten welgevallen dan wie die vrijheid in beslotenheid beleeft.’2
Met andere woorden, ten aanzien van godsdienstuitoefening die plaatsvindt buiten gebouwen en besloten plaatsen mogen door lagere regelgevers nadere beperkingen worden gesteld. De wetgever heeft het bij de godsdienstuitoefening buiten gebouwen en besloten plaatsen over godsdienstuitoefening op de openbare weg en dacht daarbij bijvoorbeeld aan een katholieke processie. Vanuit hedendaags perspectief kunnen we stellen dat het gaat om godsdienstuitoefening in het publieke domein (openbare toegankelijke ruimten, openbare weg).3
De wetsgeschiedenis van artikel 6 Grondwet wekt de indruk dat de vrijheid om godsdienst te belijden alleen is geregeld voor de godsdienstuitoefening binnen en buiten gebouwen en besloten plaatsen en niet voor de godsdienstoefening in het domein van een ander.4 Men kan dan denken aan ruimten van particuliere organisaties en instellingen, zoals banken, postkantoren, stadions, supermarkten, musea, ziekenhuizen etc. Binnen dat domein zouden religieuze uitingen en gedragingen kunnen worden gereguleerd door interne huisregels die voortvloeien uit de autonomie van deze organisaties om binnen de marges van het redelijke eigen voorschriften te stellen. De mogelijkheid om huisregels te stellen ontleent deze ‘ander’ in veel gevallen aan grondrechten (vrijheid van onderwijs, vrijheid van vereniging, (de eigen) vrijheid van godsdienst). Maar ook als de organisatie zich niet op een grondrecht kan beroepen – denk aan de overheid, een commerciële instelling – heeft deze binnen de eigen sfeer een zekere interne autonomie, op grond waarvan binnen de marges van het redelijke (en conform het gelijkheidsbeginsel, AWGB)5 eigen voorschriften gesteld kunnen worden, zonder dat deze geacht mogen worden de vrijheid van godsdienst in artikel 6 Grondwet te beperken.6
Indien instellingen huisregels maken die een algemeen karakter dragen en niet discriminatoir zijn7 ten opzichte van aanhangers van religies (of levensbeschouwingen), zouden ze, geredeneerd vanuit deze opvatting niet kunnen worden gerekend tot regels die de godsdienstvrijheid beperken.8 Met andere woorden, de betreffende uiting of gedraging valt in die context niet onder de bescherming van de godsdienstvrijheid. Wanneer bijvoorbeeld een vrouw vanwege het dragen van gezichtsvermomming – in concreto een boerka of nikaab – binnen een bank niet geholpen wordt dan is er geen sprake van een schending van artikel 6 Grondwet. De bank weigert deze vrouw dan op grond van haar interne huisregels. De beperking door deze huisregels hoeft echter niet conform de beperkingsclausule van artikel 6 Grondwet te zijn omdat de vrouw zich daar niet kan beroepen op de godsdienstvrijheid van artikel 6 Grondwet. De beperking vindt immers plaats in de sfeer van de ander en uit de formulering van artikel 6 Grondwet blijkt niet dat binnen deze sfeer een beroep kan worden gedaan op godsdienstvrijheid.9