Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.3.b
2.3.b Verlof als ‘coördinatie van rechtspraak’ en andere criteria
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS609508:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Köhne 2000, p. 188-189.
Köhne 2000, p. 166: “Het is pas zinnig om te spreken van een verlofstelsel wanneer over de toegang tot de hoogste rechterlijke instantie wordt beslist aan de hand van op coördinatie van rechtspraak gerichte criteria.”
Helemaal duidelijk is dit overigens niet, want Köhne schrijft zoals opgemerkt ook over ‘(volledig) vrije verlofstelsels’, die hij als volgt omschrijft: “Van een volledig vrij verlofstelsel is sprake wanneer de rechter vrij wordt gelaten om de verlofverlening naar eigen inzicht in te richten. Dat wil ten eerste zeggen dat zijn bevoegdheid om verlof toe te staan dan wel te weigeren niet beperkt wordt door wettelijke toegangscriteria.” (p. 189, zie ook p. 216). Dat roept de vraag op op grond waarvan Köhne een vrij verlofstelsel als verlofstelsel kenmerkt. Kennelijk niet aan de hand van de toegangsmaatstaf, die volgens de definitie op p. 188 evenwel bepalend is.
Onder coördinatie van rechtspraak verstaat Köhne niet exact hetzelfde als de belangen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling, maar dat verschil is voor het doel van deze paragraaf niet relevant, zie Köhne 2000, p. 2-3.
Kamerstukken II 2003/04, 29279, nr. 1, p. 27 en nr. 16, p. 17.
Leijten 1994, p. 1474; Jansen 2009, par. 4.6; Corstens/Borgers 2014, p. 917; Barkhuysen 2013; in deze zin over een ‘positief verlofstelsel’ Loth 2009a, p. 8-9.
Wickham 2007; Cooney 2012; Dickson 2016.
Stamhuis 2002, p. 279.
Stamhuis 2002, p. 281; overigens wordt op p. 301 een verlofstelsel omschreven als voortoetsing op vragen van rechtseenheid en rechtsontwikkeling.
Zie bijv. Köhne 2000, p. 166, zie ook p. 189 en 197.
Loth 2009a, p. 8, zie ook Loth 2009c, p. 413.
Scott 1999.
Een tweede cluster van definities van het begrip verlofstelsel omschrijft dit begrip aan de hand van enige maatstaf voor beoordeling van de toegang tot beroep. Een voorbeeld is de definitie van Köhne: “Een verlofstelsel is een toegangsregeling tot de hoogste rechterlijke instantie, waarbij aan de hand van op coördinatie van rechtspraak gerichte criteria bepaald wordt welke beroepen toegelaten worden.”1 In andere passages laat Köhne in het midden welk orgaan over de toegang beslist,2 maar duidelijk is dat volgens hem de aard van het toegangscriterium bepaalt wat een verlofstelsel is.3 Volgens Köhne is daarvan sprake als de toegang tot beroep wordt beheerst door een maatstaf die is georiënteerd op coördinatie van rechtspraak (lees: rechtseenheid en rechtsontwikkeling).4 Het kabinet uitte zich in reactie op een WRR-rapport in vergelijkbare zin: “In een verlofstelsel beoordeelt de Hoge Raad als derde instantie alleen die zaken die naar zijn oordeel van belang zijn voor de rechtsontwikkeling.”5 Zie in deze zin ook onder meer Leijten en Corstens/Borgers,6 alsook verschillende omschrijvingen van een systeem van leave to appeal in de Engelstalige literatuur.7
Verscheidene auteurs incorporeren in hun definitie van ‘verlofstelsel’ dus enige maatstaf voor toegangsverlening of -weigering, maar dat gebeurt niet steeds op dezelfde manier. In het derde interim-rapport van het project ‘Strafvordering 2001’ wordt na een rechtsvergelijkende beschouwing meer algemeen op enkele kenmerken van rechtsmiddelen ingegaan. Daar staat dat in een verlofstelsel “het concrete belang bij de hogere voorziening [wordt] beoordeeld door de rechter wiens uitspraak aangevochten zal gaan worden of door een lid van het beroepsgerecht. [...] Het heeft op zichzelf beschouwd wel aantrekkelijke kanten, dat in elke zaak vooraf wordt getoetst door een onafhankelijke rechter of het belang van de betrokkene het behandelen van het rechtsmiddel wel (geheel of gedeeltelijk) rechtvaardigt.”8 De rapporteurs omschrijven een verlofstelsel aldus aan de hand van de toegangsmaatstaf, maar richten zich daarbij in het bijzonder op het concrete of persoonlijke belang van de insteller van het beroep en niet op de algemene belangen van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of coördinatie van rechtspraak.9
Dat is nog niet alles. Hoewel sommige auteurs juist het verschil benadrukken tussen een verlofstelsel en beoordeling van de inhoud van het beroep,10 beschouwen anderen ook dat laatste in het kader van toegangsbeoordeling als verlofstelsel. Zo spreekt Loth van een ‘negatief’ of ‘gematigd’ verlofstelsel indien “de selectie van zaken afhankelijk [is] van hun slaagkans, dat wil zeggen, de selectie geschiedt op grond van een prognose omtrent de verwachte uitkomst”.11 Als het bestreden arrest moet worden vernietigd, moet in deze benadering dus ook verlof worden gegeven, terwijl andersom verlof mag worden geweigerd als het beroep (evident) niet slaagt. Daarmee sluit Loth aan bij Engelstalige literatuur, waarin de termen leave to appeal of permission to appeal ook ter aanduiding van inhoudelijke toegangsbeoordeling worden ingezet.12