Einde inhoudsopgave
Sleutels voor personenvennootschapsrecht (IVOR nr. 102) 2017/2.5.4.3
2.5.4.3 Gemeenschap en beperkte beschikkingsbevoegdheid
Chr.M. Stokkermans, datum 28-02-2017
- Datum
28-02-2017
- Auteur
Chr.M. Stokkermans
- JCDI
JCDI:ADS591605:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Bijvoorbeeld: Scheltema 1928a.
Art. 3:175 BW. In art. 3:175 BW, mag ‘kan’ worden gelezen als ‘is … bevoegd’. Zie HR 22 mei 2015, JOR 2015/255, NJ 2015/335(Warnaar/Wubben). Asser/Perrick 3-V 2015/41.
Art. 3:190 BW.
HR 28 november 2008, NJ 2009/145(Erven D).
In deze zin ook: Asser/Perrick 3-V 2015/54.
De mogelijkheid van een bijzondere gemeenschap waartoe slechts één goed behoort, is erkend in HR 30 maart 2001, JOR 2001/104(LISV/Grifhorst).
Een ander geval komt aan de orde in 2.5.5.1, namelijk de uitwinning met instemming van de andere deelgenoot.
Dit brengt mij bij de relatie tussen beperkte beschikkingsbevoegdheid en vermogensscheiding bij de gemeenschap. Het gemeenschapsrecht kent twee varianten van beperkte beschikkingsbevoegdheid: de ene brengt geen, de andere wel vermogensscheiding mee. Vroeger zei men dat mede-eigendom alleen intern of tevens extern gebonden kan zijn.1
In de variant zonder vermogensscheiding is sprake van een eenvoudige gemeenschap en gaat het erom dat uit de rechtsverhouding tussen de deelgenoten voortvloeit dat een deelgenoot niet bevoegd is zijn aandeel in het gemeenschappelijke goed ‘zo maar’ te vervreemden.2 De beperking kan voortvloeien uit een overeenkomst tussen de deelgenoten. Zij kan ook uit feiten en omstandigheden worden afgeleid. Bij dit laatste kan worden gedacht aan twee ongehuwd samenwonenden die samen een huis hebben gekocht en verder niets hebben afgesproken. Uit hun rechtsverhouding kan dan voortvloeien dat de een zijn aandeel in de onroerende zaak niet zonder toestemming van de ander kan vervreemden.
In de andere variant, mét vermogensscheiding, gaat het om goederen die behoren tot een bijzondere gemeenschap.3 Het betreft situaties waarin het recht voldoende rechtvaardiging vindt om de betrokken goederen tot een afgescheiden vermogen te rekenen. De doelbestemming van het vermogen brengt dan mee dat de eigenaar van een aandeel in een tot het vermogen behorend goed niet vrijelijk over dat aandeel kan beschikken. De deelgenoot kan het aandeel in beginsel niet ‘voor zich in privé’ vervreemden, hij is slechts q.q. gerechtigd. Als afgeleide daarvan kunnen zijn privéschuldeisers dat aandeel ook niet uitwinnen. Het is dan geen grote stap meer naar systematische inpassing van vermogensscheiding buiten gemeenschap: het gaat om gevallen waarin het recht een zodanige beperking van de beschikkingsbevoegdheid van de eigenaar aanvaardt als voor vermogensscheiding nodig is.
De omvang van de beperking van de beschikkingsbevoegdheid, die geldt voor de eigenaar van een aandeel in een goed dat tot een bijzondere gemeenschap behoort (art. 3:190 lid 1 BW), was aan de orde in het Erven D-arrest van de Hoge Raad.4 De broers D hadden een maatschap, beiden overleden. Tot het vermogen van de ontbonden maatschap, waartoe nu de zus van beide broers (als erfgename van de ene broer) en de weduwe van de andere broer gerechtigd waren, behoorden op enig moment nog twee percelen grond. Over de verdeling van het ene perceel bestond overeenstemming. Vervolgens droeg de weduwe haar aandeel in het andere perceel over aan een derde, zonder de in artikel 3:190 lid 1 BW bedoelde toestemming van haar schoonzus. De Hoge Raad overwoog dat de beperking van artikel 3:190 lid 1 BW niet verder strekt dan haar ratio verlangt en sauveerde de overdracht. Het middel van de beperkte beschikkingsbevoegdheid diende in dit specifieke geval niet het in de wetsgeschiedenis genoemde doel van de wetsbepaling, te weten dat deelgenoten niet tegen hun zin met een veelheid aan verschillende deelgemeenschappen geconfronteerd moeten kunnen worden.
In zijn NJ-noot onder het arrest wijst Perrick er terecht op dat artikel 3:190 lid 1 BW ook nog een ander doel dient, namelijk dat van de vermogensscheiding. Zoals hij daar aangeeft, is in de zaak Erven D over gemeenschapsschulden echter niets gesteld of gebleken.5 Eenzijdige overdracht van een aandeel in een afzonderlijk tot het afgescheiden vermogen behorend goed, kan volgens mij niet meebrengen dat dit aandeel aan het afgescheiden vermogen wordt onttrokken, als de andere deelgenoot er een redelijk belang bij heeft dat te voorkomen. Voor dit ‘redelijk belang’ kan, behalve aan de verhaalspositie van zaakscrediteuren, gedacht worden aan ieders gerechtigdheid in de beneficiaire aanspraak. Stel dat in de zaak Erven D nog slechts dat ene perceel tot het afgescheiden vermogen behoort,6 en dat de weduwe wegens eerdere overbedeling nog slechts tot een kwart in het afgescheiden vermogen gerechtigd is, terwijl zij juridisch voor de helft in het perceel gerechtigd is. Een eenzijdige overdracht van het aandeel in het perceel moet er dan niet toe leiden dat die helft tot het privévermogen van de derde gaat behoren.7