Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.3.1
14.3.3.1 Toerekening aan de inbrenger
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232949:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Gemakshalve zal ik in principe slechts spreken van het vermogen van het APV of eventueel de inkomsten/winst van het APV, tenzij het onderscheid van belang is.
Zie Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 12 en 59, alsmede Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 9, pagina 46.
Zie Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 50. Dit wordt ook onderstreept door de uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 22 maart 2018, ECLI:NL:RBZWB:2018:1776, waarin de inspecteur op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 vermogen aan de partner van de vermeende inbrenger wilde toerekenen. De rechtbank kwam niet tot toerekenen omdat haars inziens geen sprake was van een fiscaal partnerschap, maar zij lijkt de mogelijkheid van toerekening aan de partner op deze basis te aanvaarden. Toerekening op grond van artikel 2.17 Wet IB 2001 is ook aan de orde in twee uitspraken betreffende fiscale partners van hof Den Haag van 19 juni 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:1743 en ECLI:NL:GHDHA:2019:1744.
Zie rechtbank Noord-Holland 25 februari 2015, ECLI:NL:RBNHO:2015:1176 (hoger beroep hof Amsterdam 23 februari 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:915, V-N 2016/28.13, waarbij het hof op een andere grond vaststelt dat sprake is van een aanmerkelijk belang).
Zie nader paragraaf 14.3.2.
Indien sprake is van een APV, worden de bezittingen en schulden, alsmede de opbrengsten en uitgaven,1 van het APV voor inkomstenbelastingdoeleinden in eerste instantie toegerekend aan degene die dit vermogen heeft ingebracht/afgezonderd.2 Hierbij wordt geen waardedrukkend effect als gevolg van de inbreng in het APV in aanmerking genomen: artikel 4a lid 5 Uitvoeringsregeling IB 2001 bepaalt dat bezittingen en schulden van het APV in aanmerking worden genomen naar de waarde in het economische verkeer die zou gelden als de bezittingen en schulden deel zouden uitmaken van het vermogen van degene aan wie deze worden toegerekend. In de toelichting bij de bepaling is voorts opgemerkt dat deze onder meer ziet op het als een eenheid in aanmerking nemen in het vermogen van degene aan wie wordt toegerekend. Het splitsen van bijvoorbeeld een kunstcollectie tussen deels zelf behouden eigendom en deels inbreng in een APV heeft voor de waardering derhalve geen effect; de collectie dient op grond van deze bepaling nog steeds als een geheel te worden gewaardeerd.
Het toegerekende vermogen zal doorgaans worden belast in box 3 of eventueel in box 2. Hoewel het niet is uitgesloten dat bijvoorbeeld het vermogen van een IB-onderneming, resultaatsvermogen of een eigen woning wordt ingebracht in een APV, lijkt het niet bijzonder waarschijnlijk dat dit gebeurt.
De toerekening geldt voor alle bepalingen van de Wet IB 2001 en de daarop berustende bepalingen. Dit betekent dat faciliteiten, zoals de doorschuiffaciliteiten voor het aanmerkelijk belang van artikel 4.17 tot en met 4.17c Wet IB 2001,3 maar bijvoorbeeld ook de toerekening tussen partners van artikel 2.17 Wet IB 2001 onverkort toegepast kunnen worden met betrekking tot toegerekend APV-vermogen.4 Dit werkt uiteraard ook door naar bepalingen in andere wetten waarin verwezen wordt naar bepalingen van de Wet IB 2001, zoals de in artikel 12a Wet LB neergelegde gebruikelijkloonregeling5. Zelfs als de aanmerkelijkbelangaandelen zijn ingebracht in een APV kunnen dergelijke regelingen nog van toepassing zijn. Dit laatste geldt overigens niet voor zover sprake is van een belaste onderneming op het niveau van het APV, aangezien dan een uitzondering op de toerekening wordt gemaakt.6 Tot slot merk ik op dat de toerekening niet alleen geldt voor het vermogen dat is ingebracht, maar ook voor vermogensbestanddelen die door het APV zijn aangekocht, al dan niet met behulp van een geldlening.7