Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/14.3.3.4
14.3.3.4 Rechtens afdwingbare aanspraken
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232729:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 14 juli 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY3639, BNB 2007/18 (en BNB 2007/19) en HR 20 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:AY5991, BNB 2008/122.
Eventueel kan sprake zijn van periodieke uitkeringen van een APV in box 1, maar alleen als deze niet rechtens afdwingbaar zijn en het APV een rechtspersoon is. Bovendien kunnen de uitkeringen naar mijn mening slechts beschouwd worden als ontvangen van het APV zelf, indien op grond van artikel 2.14a lid 7 Wet IB 2001 geen toerekening plaatsvindt. Met de aanscherping van deze toerekeningsstop per 20 september 2016 (zie nader paragraaf 14.3.4) zal deze situatie zich (nagenoeg) niet meer voordoen. Indien wel wordt toegerekend, wordt de uitkering ontvangen van degene(n) aan wie het APV-vermogen wordt toegerekend.
Artikelen 3.91 lid 2 sub a ten 3˚ en 3.92 lid 2 sub a ten 3˚ Wet IB 2001.
Boer wijst erop dat het moet gaan om slechts een recht op voordelen uit aanmerkelijkbelangaandelen, zodat naar de letterlijke tekst van artikel 4.3 Wet IB 2001 een meer omvattend recht (als bijvoorbeeld ook een aanspraak bestaat op een deel van het trustvermogen) niet binnen het bereik van deze bepaling komt en in box 3 valt. Hetzelfde zou beargumenteerd kunnen worden met betrekking tot een recht op meer dan alleen de voordelen uit aandelen, bijvoorbeeld bij een recht op alle inkomsten uit trustvermogen dat meer omvat dan alleen aanmerkelijkbelangaandelen (Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.3.3.1.2). In elk geval bij het laatste recht zou ik echter menen dat een redelijke wetstoepassing met zich brengt dat, voor zover de inkomsten hieruit direct gekoppeld zijn aan de inkomsten uit aanmerkelijkbelangaandelen die het APV ontvangt, deze in box 2 belast worden.
Vergelijk tevens Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.3.3.1.2).
Kamerstukken II vergaderjaar 1998/99, 26 727, nr. 3, pagina 234, Kamerstukken II vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 7, pagina 252 en Kamerstukken II vergaderjaar 1999/2000, 26 727, nr. 81, pagina 5 -6.
Evenzo Sonneveldt, dissertatie 2000, pagina 67 – 68, die opmerkt niet in te zien van het belang is van de restcategorie voor belangen bij een Anglo-Amerikaanse trust.
De wetgever lijkt dit overigens anders te zien, aangezien de parlementaire geschiedenis impliceert dat bij een begunstigde met een afdwingbaar recht slechts sprake kan zijn van een vermogensrecht in de zin van artikel 5.3 lid 2 sub f Wet IB 2001 of van een periodieke uitkering. Overigens is de formulering van de wetgever op dit punt mijns inziens onzuiver: gesproken wordt van toerekening van het niet-discretionaire deel aan de gerechtigde (Kamerstukken II vergaderjaar 2008/09, 31 930, nr. 3, pagina 51). Naar mijn mening is in dat geval echter geen sprake van toerekening van APV-vermogen, maar van het in de heffing betrekken van het afdwingbare recht als zodanig.
Zie voor een uitgebreide beschrijving van de knelpunten in deze context Boer, dissertatie 2011, paragraaf 9.3.3.1.3.
Indien er begunstigden zijn die rechtens afdwingbare aanspraken hebben jegens het APV worden zij op grond van artikel 4a lid 1 Uitvoeringsregeling IB 2001 ter zake hiervan in de heffing van inkomstenbelasting betrokken. De aanwezigheid van dergelijke aanspraken beïnvloedt uiteraard ook de positie van de inbrenger, aangezien het APV-vermogen in beginsel aan hem toegerekend wordt. Dit aspect wordt besproken in paragraaf 14.3.7, tezamen met de vraag of een niet-discretionaire entiteit überhaupt wel als APV kan kwalificeren.
Afhankelijk van de aard van de aanspraak en van het vermogen waar de aanspraak betrekking op heeft, is deze belast in box 1, 2 of 3. Er zal vermoedelijk weinig sprake zijn van heffing in box 1. Een periodieke uitkering die in rechte afgedwongen kan worden kan alleen onder artikel 3.101 lid 1 sub c Wet IB 2001 vallen en in dit kader heeft de Hoge Raad ter zake van irrevocable fixed trusts bepaald dat de uitkeringen vanuit het perspectief van de trust de tegenwaarde voor een prestatie (te weten de inbreng) vormen, zodat de uitkeringen buiten box 1 blijven.1, 2 Wellicht kan echter in specifieke gevallen sprake zijn van resultaatsvermogen, bijvoorbeeld een genotsrecht op een ter beschikking gestelde onroerende zaak.3
Een aanspraak die in box 2 valt is wel goed denkbaar. Artikel 4.3 Wet IB 2001 kent een ruime definitie van genotsrechten, en stelt degene die gerechtigd is tot de voordelen uit aandelen of winstbewijzen gelijk met de houder van het aandeel of winstbewijs en het recht met het desbetreffende aandeel of winstbewijs. Als de begunstigde een recht heeft op (een deel van) de inkomsten uit aanmerkelijkbelangaandelen zal hetgeen hij uit dit recht ontvangt dus belast zijn in box 2.4 Daarnaast kan een afdwingbaar toekomstig recht op de onderliggende aandelen (bijvoorbeeld op uitkering van de aandelen nadat het genotsrecht van een ander geëindigd is) onder omstandigheden wellicht voldoende vergelijkbaar zijn met de bloot eigendom hiervan om in box 2 te vallen.5
De meeste rechten zullen echter in box 3 vallen. In specifieke omstandigheden kan sprake zijn van rechten op onroerende of roerende zaken (artikel 5.3 lid 2 sub b respectievelijk d Wet IB 2001). Veelal zal de aanspraak echter een recht vormen dat niet op zaken betrekking heeft, in de zin van artikel 5.3 lid 2 sub e Wet IB 2001, zoals een recht op periodieke uitkeringen. Aan de restcategorie van artikel 5.3 lid 2 sub f Wet IB 2001, waar rechten jegens een trust naar de bedoeling van de wetgever onder zouden vallen,6 zal naar mijn mening niet snel worden toegekomen.7, 8
De aanspraak dient in beginsel gewaardeerd te worden naar de waarde in het economische verkeer, op grond van artikel 5.19 Wet IB 2001. Onder omstandigheden kunnen echter de waarderingsregels voor specifieke goederen een rol spelen bij de waardering, zoals het op artikel 5.22 Wet IB 2001 gebaseerde waarderingsvoorschrift voor genotsrechten. Daarnaast zal rekening gehouden moeten worden met waardedrukkende factoren, zoals de omstandigheid dat een uitkering uit het APV pas na een bepaalde termijn verkregen kan worden of dat hier voorwaarden aan verbonden zijn. Gezien de flexibiliteit bij de vormgeving van rechten jegens APV’s (uiteraard afhankelijk van de rechtsvorm en het toepasselijke recht, maar in elk geval indien sprake is van een trust) kan de waarde van een aanspraak in een concreet geval moeilijk te bepalen zijn.9