Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/7.4
7.4 De derde fase van de EMU
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS456479:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Op grond van artikel 121, vierde lid, EG-verdrag zou de derde fase van de EMU op 1 januari 1999 beginnen, als eind 1997 nog geen datum hiervoor was vastgesteld. Tijdens de top van 15 en 16 december 1995 in Madrid besloot de Europese Raad dat een eerdere start van de derde fase niet mogelijk was en dat deze zou aanvangen op 1 januari 1999. Zie de conclusies van de Europese Raad van 15 en 16 december 1995, p. 1.
Artikel 121, eerste, tweede en vierde lid, EG-verdrag. Zie ook par. 6.8.4. De convergentiecriteria hebben betrekking op de prijsstabiliteit, de overheidsfinanciën, de wisselkoersen en de rentevoet van een lidstaat. Zij zijn weergegeven in artikel 121, eerste lid, EG-verdrag en het Protocol betreffende de in artikel 121 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap bedoelde convergentiecriteria.
Dit gebeurde op grond van artikel 121, tweede en vierde lid, EG-verdrag. Zie de ‘Beschikking van de Raad van 3 mei 1998 overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag’, gepubliceerd in PbEG 1998, L 139/30. Hier wordt artikel 121 EG-verdrag nog aangeduid als artikel 109J EG-verdrag, aangezien het Verdrag van Amsterdam op dat moment nog niet in werking was getreden.
Artikel 1 Beschikking van de Raad van 3 mei 1998 overeenkomstig artikel 109 J, lid 4, van het Verdrag. Per 1 januari 1995 zijn Zweden, Finland en Oostenrijk toegetreden tot de EU.
Zie de conclusies van de Europese Raad van 19 en 20 juni 2000, sub III, onder ‘C. Toetreding van Griekenland tot de euro’.
Baldwin & Wyplosz 2015, p. 343-344.
Zie de landenpagina van Zweden over de eurozone: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=URISERV:l25062, onder ‘Referendum on adopting the euro in Sweden’.
Zie par. 6.8.7.
Zie de landenpagina van Denemarken over de eurozone: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=URISERV:l25061, onder ‘Referendum on stage three’.
De naam ‘euro’ werd al vastgelegd tijdens de top van de Europese Raad van 15 en 16 december 1995. Zie de conclusies van die top, deel A, onder ‘Inleiding’. Eerder was de naam ‘ECU’ in gebruik, zie par. 6.8.1.
Zie over het ERM par. 6.5. Tijdens de top van 16 en 17 juni 1997 nam de Europese Raad een resolutie aan ter vervanging van het ERM door ERM II, getiteld: ‘Resolutie van de Europese Raad inzake de instelling van een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie’ (PbEG 1997, C 236/5). Zie ook: Baldwin & Wyplosz 2015, p. 344. De Nederlandse afkorting voor ERM II luidt WKM II (wisselkoersmechanisme II).
Deze marge is in principe vastgesteld op vijftien procent, zie par. 2.1. van de resolutie van de Europese Raad inzake de instelling van een wisselkoersmechanisme in de derde fase van de Economische en Monetaire Unie. Zie ook par. 6.8.7. Lidstaten kunnen er echter voor kiezen om een smallere bandbreedte aan te houden (zo koos Denemarken voor een bandbreedte van 2,25 procent die ook in de eerste fase van het oude ERM werd aangehouden, zie: Baldwin & Wyplosz 2015, p. 336).
Net voor de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam ging op 1 januari 1999 de derde fase van de EMU van start.1 Om te bepalen welke lidstaten aan deze fase mee konden doen, moest de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen per lidstaat beoordelen of die voldeed aan de convergentiecriteria.2 Om dit besluit te ondersteunen brachten de Europese
Commissie en het Europees Monetair Instituut hierover verslag uit en richtte de Commissie aanbevelingen tot de Raad. De Raad deed vervolgens op zijn beurt een aanbeveling aan de Europese Raad, die uiteindelijk op 3 mei 1998 besloot welke lidstaten met de derde fase konden starten.3
De Europese Raad kwam tot de conclusie dat België, Duitsland, Spanje, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Oostenrijk, Portugal en Finland voldeden aan de convergentiecriteria.4 Dit besluit zonderde vier lidstaten uit, namelijk Griekenland, Zweden, Denemarken en het Verenigd Koninkrijk.
Griekenland voldeed aan geen enkele van de criteria en mocht daarom in eerste instantie niet deelnemen aan de derde fase van de EMU. Toen het land halverwege 2000 alsnog aan de voorwaarden voldeed, startte ook de deelname voor Griekenland per 1 januari 2001.5 Zweden vroeg bij toetreding tot de EU op 1 januari 1995 om een uitzondering, zodat het land niet hoefde mee te werken aan de derde fase.6 Dit verzoek werd geweigerd, maar Zweden weet vooralsnog aan deelname te ontkomen door niet toe te treden tot het ERM, het wisselkoersmechanisme van het EMS, en zijn opvolger ERM II. Aangezien een van de convergentiecriteria een stabiele deelname aan dit wisselkoersmechanisme voor twee jaar inhoudt, voldoet Zweden formeel niet aan de eisen voor deelname. Zweden hield op 14 september 2003 een referendum over toetreding tot de derde fase, maar met een uitkomst van 56,1 procent tegen toetreding koos het ervoor om niet te deel te nemen.7 Denemarken en Groot-Brittannië hebben beide eerder al een uitzonderingspositie afgedwongen, waardoor zij niet gehouden kunnen worden om over te gaan tot de derde fase van de EMU.8 Denemarken heeft op 28 september 2000 een referendum georganiseerd over de vraag of het toch zou moeten toetreden tot de derde fase van de EMU en dus de uitzonderingspositie los zou moeten laten.9 Aangezien 53,1 procent hiertegen stemde, bleef ook Denemarken buiten de derde fase van de EMU.
Deelname aan de derde fase van de EMU betekende vooral het invoeren van een gemeenschappelijke munt. De euro, de opvolger van de eerder gebruikte naam ECU, werd direct bij de start van de derde fase ingevoerd.10 De invoering verliep eerst giraal per 4 januari 1999 en vanaf 1 januari 2002 kwamen er ook eurobiljetten en -munten in omloop.
De start van de derde fase betekende voorts vervanging van het ERM door ERM II.11 Het wisselkoersmechanisme dat moest zorgen voor prijsstabiliteit door de fluctuaties tussen de munteenheden van de lidstaten en de bundeling van die valuta’s in de vorm van de ECU te beperken, werd vervangen door een nieuw model. Door de invoering van de euro bestonden voor die lidstaten onderling immers geen wisselkoersen meer. Wel moest er met het oog op prijsstabiliteit een regeling komen voor de overige lidstaten van de EU, die (nog) geen deel uitmaakten van de eurozone. Voor aankomende lidstaten van de eurozone vormde deelname aan ERM II een voorbereiding op toetreding tot de eurozone, aangezien het participeren in ERM II een van de convergentiecriteria is voor het starten met de derde fase en dus voor toetreding tot de eurozone. Op het moment van toetreding verlaat de lidstaat ERM II.
Het ERM II koppelt vanaf 1 januari 1999 de munteenheden van de lidstaten van de EU die (nog) geen deel uitmaken van de eurozone aan de euro. Wisselkoersen zijn vastgesteld en de valuta’s mogen slechts binnen een bepaalde marge fluctueren ten opzichte van de euro.12 Na de start van de derde fase namen slechts Denemarken en Griekenland deel aan ERM II. Sindsdien volgden Estland, Litouwen, Slovenië, Cyprus, Letland, Malta en Slowakije.
Door invoering van de euro in al deze landen, behalve Denemarken, is dat land op dit moment de enige deelnemer van het ERM II.13