Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/19.6.4
19.6.4 Procesautonomie in Nederlandse fiscale boetezaken
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS494688:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Het EHRM heeft meermaals overwogen dat de deelrechten in art. 6 EVRM ertoe strekken de strafprocedure in de openbaarheid te doen plaatsvinden, om zo het vertrouwen in de rechtspraak c.q. een behoorlijk strafproces te waarborgen. Vgl. EHRM 8 december 1983 (Axen t. Duitsland), § 25 en EHRM 22 februari 1984 (Sutter t. Zwitserland), § 26: ‘The public character of proceedings before the judicial bodies referred to in Article 6 § 1 protects litigants against the administration of justice in secret with no public scrutiny; it is also one of the means whereby confidence in the courts, superior and inferior, can be maintained. By rendering the administration of justice visible, publicity contributes to the achievement of the aim of Article 6 § 1, namely a fair trial, the guarantee of which is one of the fundamental principles of any democratic society, within the meaning of the Convention.’
Zie § 10.4.3.1 hiervoor. Daarin kwam ter sprake dat de waarborgen van art. 6 volgens het EHRM geen toepassing hoeven te vinden in de bestuurlijke procedure, mits de bestuurlijke beslissing kan worden getoetst door een rechter die beschikt over ‘full jurisdiction’.
Naast de hiervoor genoemde rechtskundige bijstand van een gemachtigde, die een informeler (en daardoor potentieel ruimer) karakter heeft dan de rechtsbijstand in strafzaken, wordt de transparantie/controleerbaarheid van de Nederlandse fiscale boeteprocedure in belangrijke mate gewaarborgd door het rechterlijk toezicht op onder meer de bewijsgaring.1 Bij de beoordeling van de gegrondheid van de boete heeft de belastingrechter ‘full jurisdiction’.2 Hij is bepaald niet lijdelijk als het gaat om het onderzoek naar en de vaststelling van de feiten in de heffings- en boetesfeer.3 Vanwege het ontbreken van verplichte (proces)vertegenwoordiging, wordt aan fiscale (boete)procedures vaak deelgenomen door personen zonder proceservaring. De fiscale boeteprocedure is dan ook weinig formeel. Er is de nodige ruimte voor debat en tegenspraak.
Aan het accusatoire karakter van het fiscale boetegeding dragen bij de (procedurele) voorschriften uit de Awb, zoals de oproeping van (partij)getuigen ter zitting (art. 8:60, lid 4 Awb) en de verplichting van de inspecteur om alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen (art. 8:42 Awb).
Afgaand op de Nederlandse belastingrechtspraak lijken meer in het algemeen de in art. 6 EVRM vastgelegde of gelezen verdedigingsrechten in fiscale boetezaken een (veel) kleinere rol te spelen dan geldt voor (fiscale) strafzaken. In het fiscale boetegeding lijkt (veel) minder behoefte te zijn aan nemo tenetur als ‘voorwaarde’ voor het effectief uitoefenen van de (andere) verdedigingsrechten en meer in het algemeen voor de procesautonomie van de boeteling.