Wilsdelegatie in het erfrecht
Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.2.5:II.5.2.2.5 Tussenconclusie en de hypothese met betrekking tot art. 4:115 BW
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.5.2.2.5
II.5.2.2.5 Tussenconclusie en de hypothese met betrekking tot art. 4:115 BW
Documentgegevens:
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS624148:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In subparagraaf 5.2.2.1 werd duidelijk dat ten aanzien van het bepalen van de erfgenamen een strikt bepaaldheidsvereiste geldt, in die zin dat alleen de erflater zelf zijn erfgenamen kan aanwijzen. In de woorden ‘daarbij aangewezen’ van art. 4:115 BW ligt namelijk het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid besloten en dit vereiste impliceert een verbod om te delegeren ten aanzien van de erfgenamen. De identiteit van de erfgenamen moet op grond van dit vereiste namelijk onmiddellijk, dat betekent volledig aan de hand van de uiterste wil en de op het ogenblik van het overlijden van de erflater bestaande omstandigheden, kunnen worden vastgesteld. De erflater zal dus steeds zelf in zijn uiterste wil de erfgenamen moeten aanwijzen en voor een aanwijzing ‘achteraf’, door omstandigheden die intreden na erflaters dood of door de subjectieve wil van een derde, is geen plaats.
De rechtvaardiging voor het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid is gelegen in de rechtszekerheid, zo kwam naar voren in subparagraaf 5.2.2.3. In subparagraaf 5.2.2.4 trok ik deze rechtvaardigingsgrond evenwel in twijfel. Indien de delegatie wordt opgevat als een (opschortende) voorwaarde en de door de derde aan te wijzen erfgenamen worden aangemerkt als erfgenamen onder opschortende voorwaarde, hoeft voor de rechtszekerheid namelijk niet te worden gevreesd. Bij erfgenamen onder een opschortende voorwaarde behoren namelijk ook altijd erfgenamen onder een ontbindende voorwaarde. Indien erflater deze erfgenamen onder ontbindende voorwaarde niet uitdrukkelijk in zijn uiterste wil heeft genoemd, zijn de versterferfgenamen de primaire erfgenamen onder ontbindende voorwaarde. Op deze manier wordt voorkomen dat zwevende toestanden ontstaan en erflaters rechtsopvolgers onbekend (in de zin van onbepaald) zijn.
Met deze zogenoemde ‘voorwaarden-constructie’ is de rechtvaardiging van het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid aantastbaar geworden.
Stel nu dat, vanwege het gemis aan een deugdelijke rechtvaardigingsgrond, het vereiste van onmiddellijke identificeerbaarheid en de woorden ‘daarbij aangewezen’ geen deel uitmaken van de definitie van de erfstelling. In de volgende subparagraaf ga ik van deze hypothese uit en bekijk ik welke mate van bepaaldheid de materiële aard van de erfstelling dan met zich brengt.