Biases in de boardroom en de raadkamer
Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.4.2:1.4.2 Kwalitatief empirisch onderzoek
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/1.4.2
1.4.2 Kwalitatief empirisch onderzoek
Documentgegevens:
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111361:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Een deel van mijn dissertatie is gebaseerd op een omvangrijk kwalitatief empirisch onderzoek. In de periode maart 2017 – november 2017 en mei 2018 – november 2018 heb ik een kwalitatief empirisch onderzoek uitgevoerd met als doel meer inzicht te verkrijgen in de praktische kanten van de bestuurlijke taakuitoefening. Hiertoe heb ik 102 interviews afgenomen met respondenten uit drie groepen: (1) (voormalig) bestuurders en commissarissen van grote vennootschappen; (2) advocaten, curatoren, notarissen, adviseurs en onderzoekers; en (3) Advocaat-Generaal, raadsheren en rechters. De respondenten uit groep 1 en 2 zijn overwegend actief in de commerciële sector met daarbij de focus op grote (beursgenoteerde) naamloze vennootschappen (NV’s) en besloten vennootschappen (BV’s). Een deel van de respondenten is actief of heeft nevenfuncties in de culturele sector en de zorgsector. Sommige respondenten hebben meerdere functies. Zij zijn in overleg met de respondent in één van de groepen geplaatst, waarbij de vragen hoofdzakelijk beantwoord werden vanuit de aan de gekozen groep gekoppelde functie.
Groep 1 bestaat uit 48 personen, groep 2 uit 44 personen, groep 3 uit 10 personen. 41 respondenten zijn vrouw, 61 respondenten zijn man.
De respondenten zijn willekeurig geselecteerd, waarbij een deel van de respondenten met de hulp van andere respondenten bereikt kon worden. Van 11 personen ontving ik een afwijzing op mijn verzoek. Van 13 personen ontving ik geen reactie op mijn verzoek.
Met elke respondent heb ik gemiddeld één uur gesproken: face-to-face of telefonisch. In de meeste gevallen kreeg ik toestemming het interview op te nemen. Kreeg ik geen toestemming of vond het interview telefonisch plaats, dan zijn woordelijke aantekeningen gemaakt. De interviews waren licht gestructureerd in die zin dat er wel een onderwerpenlijst was, maar dat niet alle onderwerpen in elk interview aan bod kwamen. De reden hiervoor hing samen met het doel van dit empirisch onderzoek. Het doel van het onderzoek was het verkrijgen van meer inzicht in de praktijk van de bestuurlijke taakuitoefening en de rechterlijke beoordeling van deze taakuitoefening. Om ervoor te zorgen dat de relevante issues naar boven kwamen, wilde ik dat de respondenten uit eigen beweging ervaringen deelden, in plaats van dat zij slechts antwoord gaven op de vooraf door mij vastgestelde vragen. De door mij gekozen handelwijze bood ruimte voor flexibiliteit. Zo had de ene respondent veel te vertellen over ‘diversiteit’ en de andere respondent veel over ‘taakverdeling’, om maar een voorbeeld te geven. Deze werkwijze bood de respondenten de mogelijkheid hun antwoorden van context te voorzien. Respondenten kregen zo de gelegenheid onderwerpen ter sprake te brengen die niet op de onderwerpenlijst stonden. Dit is de reden dat niet bij iedereen dezelfde onderwerpen aan bod zijn gekomen. Hier is geen kwantitatief belang uit af te leiden. Deze aanpak heeft wel tot gevolg dat de resultaten van het onderzoek in absolute aantallen zijn weergegeven en niet in verhouding tot elkaar of uitgedrukt in een percentage. Een voorbeeld kan dit verduidelijken. Ik sprak met 57 respondenten op enigerlei wijze over ‘diversiteit’. Met 45 respondenten heb ik hier niet over gesproken. Vier respondenten gaven aan dat het voor het realiseren van een evenwichtige zetelverdeling in de top van belang is dat men in Nederland meer open-minded wordt. Dit betekent echter niet dat 57 minus 4 respondenten van mening zijn dat het niet van belang is dat Nederland meer open- minded wordt. Het resultaat 4 betekent slechts dat 4 personen hebben aangegeven dit wel te vinden. Stel dat 3 respondenten hadden aangegeven dat het voor het realiseren van een meer evenwichtige zetelverdeling in de top niet van belang is dat Nederland meer open-minded wordt, dan geef ik dit expliciet weer als: 4 voor, 3 tegen.
Het onderzoek is een kwalitatief empirisch onderzoek. Aan de hand van de onderzoeksgegevens kunnen geen algemeen geldende conclusies getrokken worden. Het trekken van algemeen geldende conclusies is niet het doel geweest van mijn empirisch onderzoek. Met behulp van de empirische resultaten kan wel in samenhang met bestaande juridische en filosofische literatuur en jurisprudentie een beeld geschetst worden van de problematiek in de boardroom en de raadkamer. Het empirisch onderzoek speelt geen argumentatieve rol, wel dient het onderzoek ter illustratie.
De geanonimiseerde uitgewerkte interviews zijn ten behoeve van de wetenschappelijke integriteit ter beschikking gesteld aan de promotoren en de manuscriptcommissie. De geanonimiseerde uitgewerkte interviews zullen worden opgeslagen conform het protocol Datamanagement Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Radboud Universiteit, januari 2018.
De hoofdonderwerpen die aan bod kwamen tijdens de interviews zijn:
De praktijk van bestuurlijke taakuitoefening
Boardroom dynamics
Kennis van zaken
Collectieve verantwoordelijkheid
Taakverdeling tussen en binnen organen
Executive Committee
Bestuurdersaansprakelijkheid
Risico’s
Norm
Invloed op handelwijze van bestuurders en commissarissen
Bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering
Faillissement en de curator
Genderdiversiteit in de top van vennootschappen
Boardroom dynamics
Quotum
Netwerken
Executive Search-Bureaus
Kwaliteit
Rechterlijke beoordeling van bestuurdersaansprakelijkheid
Kwaliteit
Taakverdeling
Paper trail
Schikkingen
Specialisatie van rechters