Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/11.7.1
11.7.1 Stichting continuïteit en notering van aandelen buiten de EU/gereglementeerde markt
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS345828:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Art. 1:1 Wft definieert gereglementeerde markt als een multilateraal systeem dat meerdere koop- en verkoopintenties van derden met betrekking tot financiële instrumenten – binnen dit systeem en volgens de niet-discretionaire regels van dit systeem – samenbrengt of het samenbrengen daarvan vergemakkelijkt op zodanige wijze dat er een overeenkomst uit voortvloeit met betrekking tot financiële instrumenten die volgens de regels en de systemen van die markt tot de handel zijn toegelaten, en dat regelmatig en overeenkomstig de geldende regels inzake de vergunningverlening en het doorlopende toezicht werkt.
Een ruime interpretatie (dus ook buiten de EU/EER) werd onder meer aangehangen door Asser/ Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/625 en Doorman, Handboek Openbaar Bod 2008, p. 490. In ruime zin ook Kamerstukken II 2006/2007, 31 086, nr. 3, p. 170. Zie over deze kwestie voorts De Brauw, GS Toezicht Financiële Markten 2013, art. 5:70 Wft, aant. 9.
Stb. 2007, 406.
Zie de nota van toelichting bij het Besluit van 9 maart 2012, p. 28, Stb. 2012, 196, Kamerstukken II 2010/2011, 32 781, nr. 3, p. 12. Zie voorts het consultatiedocument betreffende de aanpassing van de biedingsregels van 11 juni 2010, waarin de minister van Financiën aangaf dat het begrip zich niet uitstrekt tot markten buiten de EER.
Kamerstukken II 2010/2011, 32 781, nr. 3, p. 12, NvT bij Besluit van 9 maart 2012 houdende wijziging van het Besluit openbare biedingen Wft, het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector en het Besluit artikel 10 overnamerichtlijn, p. 28. In deze zin ook Hof Amsterdam (OK) 14 juni 2011, JOR 2011/180 m.nt. Salemink (Cascal) in het kader van een uitkoopregeling na openbaar bod (art. 2:359c BW).
Zie voor een overzicht van Nederlandse beursgenoteerde vennootschappen met een notering in het buitenland die zich middels de uitgifte van beschermingsprefs kunnen beschermen paragraaf 2.8.4.
Ingevolge art. 5:70 Wft, geldt de biedplicht slechts voor verkrijging van overwegende zeggenschap in een nv met zetel in Nederland waarvan aandelen of met medewerking van de naamloze vennootschap uitgegeven certificaten van aandelen, zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt. Onder gereglementeerde markt wordt verstaan een gereglementeerde effectenbeurs die onder overheidstoezicht staat.1 Met de inwerkingtreding van de Wet implementatie Overnamerichtlijn bestond onduidelijkheid over de vraag of het voor de toepasbaarheid van de biedplicht vereist is dat de gereglementeerde markt binnen de EU of EER gelegen moest zijn of – op basis van de functionele definitie van gereglementeerde markt van art. 1:1 Wft – ook daarbuiten gelegen kon zijn.2 Met de inwerkingtreding op 30 oktober 2007 van de Wet implementatie richtlijn markten voor financiële instrumenten3 is duidelijk geworden dat in de definitie van art. 1:1 Wft uitsluitend wordt gesproken van een gereglementeerde markt wanneer deze is gelegen binnen een lidstaat van de EU of EER.4 Ook de OK oordeelde in de Cascal-beschikking dat het begrip gereglementeerde markt als bedoeld in art. 2:359a BW slechts ziet op markten gelegen binnen de Europese Economische Ruimte (EER). Alhoewel het in deze beschikking om een uitkoopprocedure ging, wordt aangenomen dat de territoriale beperking die de OK stelt ook geldt voor andere regelingen die naar het begrip gereglementeerde markt verwijzen, zoals de verplicht bod regeling.5
Uit het voorgaande volgt dat de biedplicht niet van toepassing is op personen met overwegende zeggenschap in een vennootschap waarvan de aandelen zijn toegelaten tot de handel op een (gereglementeerde) beurs buiten de EU of EER. Dat heeft met name gevolgen voor Nederlandse beurs nv’s waarvan de aandelen zijn genoteerd aan NYSE en/of NASDAQ en die zich kunnen beschermen middels de uitgifte van beschermingsprefs.6 De stichting continuïteit is dan ook niet gebonden aan de vereisten die art. 5:71 lid 1 onderdeel c Wft stelt aan stichtingen continuïteit, welke vereisten hierboven in paragraaf 11.4 aan de orde kwamen.