Einde inhoudsopgave
De invloed van werknemers op de strategie van de vennootschap (IVOR nr. 95) 2014/3.2.1
2.1 Het informatierecht van de ondernemingsraad
mr. M. Holtzer, datum 03-04-2014
- Datum
03-04-2014
- Auteur
mr. M. Holtzer
- JCDI
JCDI:ADS382841:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
SER-advies inzake de verstrekking door de ondernemer van informatie aan de ondernemingsraad, uitgave van de Sociaal-Economische Raad 1976, nr. 20 (‘SER-advies Informatieverstrekking’).
SER-advies Informatieverstrekking, p. 8.
SER-advies Informatieverstrekking, p. 29.
Honée 1981, p. 104.
Kamerstukken I 1978-1979, 13 954, nr. 8d, p. 6.
Van Vliet 1980, p. 12-22.
Kamerstukken II 1976-1977, 13 954, nr. 6, p. 43.
Kamerstukken II 1977-1978, 13 954, nr. 112, p. 23.
Kamerstukken II 1977-1978, 13 954, nr. 158.
Kamerstukken I 1978-1979, 13 945, nr. 8d, p. 25.
De WOR bevatte aanvankelijk een algemeen informatierecht, waarin was bepaald dat de ondernemer verplicht was de ondernemingsraad en zijn commissies tijdig alle inlichtingen te verstrekken die zij voor de vervulling van hun taak redelijkerwijs nodig hadden. In deze bepaling was een uitzonderingsclausule opgenomen: de ondernemer mocht inlichtingen weigeren indien zwaarwichtige belangen van de onderneming of van de direct bij de onderneming betrokken belanghebbenden zich daartegen verzetten.
In zijn advies over het verstrekken van informatie aan de ondernemingsraad door de ondernemer oordeelde de SER dat deze regeling onvoldoende was.1 De SER adviseerde de informatieregeling te wijzigen op twee hoofdelementen: (1) het algemene informatierecht van de ondernemingsraad; (2) de verplichting van de ondernemer om op bepaalde tijdstippen diverse, in de wet omschreven, soorten informatie ongevraagd aan de raad te verschaffen. Daarbij zou ook informatie met prospectieve elementen moeten worden verstrekt.
Dit advies heeft ertoe geleid dat de zojuist aangehaalde uitzonderingsclausule in de WOR 1979 werd geschrapt en er een aanzienlijke uitbreiding van het informatierecht van de ondernemingsraad in is opgenomen. De wet wijdde in het nieuwe hoofdstuk IVb (de artikelen 31 tot en met 31c) uitvoerig aandacht aan de informatie die de ondernemer aan de ondernemingsraad moest verstrekken, waaronder ook prospectieve informatie.
Deze prospectieve informatie is van belang, aangezien die in mijn ogen het dichtst aan het strategisch beleid van de vennootschap nadert. Ook volgens de SER vormde zij een belangrijke verdieping van de te verstrekken gegevens.2 Hij overwoog als volgt: “De raad is van oordeel dat juist dit vooruitzien naar de toekomst, dit meedenken over te verwachten of te scheppen mogelijkheden van de onderneming en de daarmee samenhangende toekomstige werkgelegenheid en werkomstandigheden, een essentieel element vormen van de taak van de ondernemingsraad. Vanuit dit gezichtspunt bezien hebben evenwel de besproken informaties, juist vanwege hun sterkere retrospectieve karakter, slechts een beperkte waarde.”3
Deze prospectieve informatie kon worden onderverdeeld in twee soorten. Enerzijds moest de ondernemingsraad kunnen beschikken over de gegevens die inzicht mogelijk maken in de voorzienbare ontwikkelingen rondom de onderneming, los van het ondernemingsbeleid. Het ging daarbij om toekomstverwachtingen betreffende inkoop- en afzetmogelijkheden en betreffende de arbeidsmarkt. De tweede soort bestond uit de beleidsvoornemens van de ondernemingsleiding, de achtergronden daarvan, alsmede de te verwachten gevolgen voor de omvang en de richting van de toekomstige bedrijfsactiviteiten, de investeringen, de personeelsbezetting, etc. Bij het bepleiten van het invoeren van een prospectieve-informatieplicht stond de SER dus voor ogen dat deze betrekking zou hebben op de ontwikkeling van het strategisch beleid. Het prospectieve aspect is nu te vinden in artikel 31a lid 6 en 7 en artikel 31b lid 2 WOR. Het gaat in die bepalingen om informatie die op verzoek én om informatie die ongevraagd aan de ondernemingsraad moet worden verstrekt.
Honée4 leidde uit artikel 31 lid 1 WOR af dat deze bepaling zo moest worden verstaan dat de ondernemingsraad zijn verzoek om informatie nader moest motiveren, en wel in samenhang met zijn taakuitoefening. Hij meende dat de informatie in beginsel niet omwille van de informatie zelf kon worden gevraagd, maar betrekking moest hebben op hetzij die onderwerpen waarover de ondernemingsraad een advies- of instemmingsbevoegdheid heeft, hetzij andere onderwerpen waarover de ondernemer en de ondernemingsraad overleg voeren. Het algemene informatierecht diende naar zijn mening niet als aanloop voor de uitoefening van het initiatiefrecht (artikel 23 lid 3 WOR), omdat de raad dan informatie kon vragen over elke denkbare aangelegenheid betreffende de onderneming, met de motivering dat deze wellicht aanleiding kan geven tot het doen van initiatiefvoorstellen.
Deze opvatting wordt niet ondersteund door hetgeen in de parlementaire geschiedenis is gesteld. Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is in de memorie van antwoord onder meer het volgende overwogen: “Met name wijzen wij in dit verband op de bevoegdheden, genoemd in artikel 23, derde en vierde lid: het doen van voorstellen omtrent alle aangelegenheden, de ondernemingen betreffende. Ook daartoe moet de ondernemer dus desgevraagd inlichtingen en gegevens verstrekken. Het woord ‘redelijkerwijs’ betekent, dat de ondernemer alle inlichtingen en gegevens moet verstrekken, die een redelijk denkend mens nodig zou kunnen oordelen. Het betekent echter ook, dat hij niet aan onredelijke verzoeken behoeft te voldoen.”
Dat betekent dat de wetgever een ruime interpretatie voor ogen heeft gestaan van de door de ondernemer op verzoek te verstrekken inlichtingen, die wel degelijk ook voor de uitoefening van het initiatiefrecht moeten worden verstrekt. De inlichtingen worden begrensd door de beperking dat de gevraagde informatie redelijk moet zijn.5 Ik merk op dat de ruimte voor interpretatie mede verband houdt met de opvatting van de werkzaamheden van de ondernemingsraad. Naarmate die taakopvatting breder wordt gezien, wordt de drempel lager voor de verplichting van de ondernemer tot het verstrekken van gegevens, al dan niet bij het uitoefenen van het initiatiefrecht. Dat betekent in theorie dat de ondernemingsraad vrijwel ieder door hem gewenst initiatief kan ontwikkelen en de bijbehorende informatie van de ondernemer kan vragen (en desnoods vorderen), tenzij het informatie betreft die geen redelijk denkend mens noodzakelijk zou kunnen achten.
Voor de ongevraagd te verstrekken informatie geldt dat niet alleen juridische basisgegevens maar ook financieel-economische en organisatorische gegevens moeten worden verstrekt, zoals gespecificeerd in de wet.6 De ondernemer dient, mede voor de bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste tweemaal per jaar aan de ondernemingsraad mondeling of schriftelijk algemene gegevens te verstrekken over de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming, in het bijzonder over aangelegenheden zoals bedoeld in artikel 25 WOR. Deze bepaling heeft een retrospectieve en een prospectieve kant. Onder de prospectieve gegevens dienen eveneens de financiële begrotingen voor de komende periode7 en informatie over belangrijke investeringen in binnen- en buitenland8 te worden geschaard. Voor prospectief te verstrekken informatie over adviesplichtige kwesties in het buitenland is bovendien van belang dat de zogenoemde buitenlandclausule niet geldt.9 Anders gezegd: dergelijke informatie dient ook aan de ondernemingsraad te worden verstrekt indien het gaat om belangrijke ontwikkelingen voor buitenlandse ondernemingen waarvan niet te verwachten is dat dit zal leiden tot een of meer adviesplichtige besluiten in Nederland.
De wetgever heeft aan het uitblijven van bezwaren van de ondernemingsraad tijdens de informatiefase uitdrukkelijk geen consequenties willen verbinden.10 Wanneer de raad geen bezwaren maakt tijdens het verstrekken van informatie over ophanden zijnde adviesplichtige aangelegenheden, betekent dit niet dat hij geacht wordt stilzwijgend met die ontwikkelingen akkoord te zijn gegaan: als er sprake is van een voorgenomen besluit, moet altijd nog advies ingevolge artikel 25 WOR worden verkregen.