Het budgetrecht van het Nederlandse parlement
Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.12:4.2.12 Conclusie
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.12
4.2.12 Conclusie
Documentgegevens:
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Of er echter sprake is van een transformatie van de constitutie van de EU daar verschillen de meningen in de literatuur over. Zie bijvoorbeeld Tuori & Tuori 2014, p. 182 die spreken van een ‘constitutional mutation’ en De Witte 2015 die van mening is dat geen van de veranderingen naar aanleiding van de eurocrisis een vergaande verandering in de constitutie van de EU teweeg hebben gebracht, maar slechts hebben geleid tot ‘increased institutional variation’.
Zie het ‘governance trilemma’ van Crum 2013 en paragraaf 4.2.10.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De eurocrisis toont aan dat het in het Verdrag van Maastricht opgezette kader voor de EMU – dat het resultaat was van een politiek compromis – niet opgewassen was tegen een dergelijke crisis. In het Verdrag van Maastricht werd het monetaire beleid gecentraliseerd, terwijl het economisch beleid van de lidstaten een nationale bevoegdheid bleef. Het afdwingen van economisch beleid door middel van hard law was politiek niet acceptabel voor de lidstaten, terwijl de soevereiniteit van de lidstaat wel werd afgebakend met cijfermatige begrotingsregels om het behoud van een gezamenlijke munt te kunnen garanderen. Economisch beleid werd via soft law gecoördineerd en in een uiterst geval konden sancties worden opgelegd wanneer cijfermatige budgettaire regels werden overtreden. Deze asymmetrie tussen het gecentraliseerde monetaire beleid en het gedecentraliseerde economisch en budgettair beleid leidde uiteindelijk tot de eurocrisis nadat bleek dat Griekenland zich jarenlang niet aan de begrotingsregels had gehouden. In reactie op de eurocrisis werd op zoek gegaan naar manieren om ten eerste de directe gevolgen van de eurocrisis te kunnen ondervangen en ten tweede om het kader van de EMU robuuster te maken en op lange termijn te versterken om de houdbaarheid van de munt te garanderen. Financiële noodmechanismen zijn opgezet om eurolidstaten in financiële moeilijkheden te helpen in ruil voor hervormingen. Ook is er een cyclus opgezet voor de coördinatie van het economisch beleid – het Europees Semester – met als gevolg dat de budgettaire en economische situatie in de lidstaten continu in de gaten wordt gehouden.
Het versterkte toezichtkader verdiept het toezicht op het economisch en budgettair beleid van de lidstaten niet alleen, maar heeft bovendien een breder toepassingsgebied. Terwijl in de originele opzet van de EMU de EU-instellingen vooral een corrigerende rol hadden, lijkt het erop dat de EU-instellingen, de Raad en de Commissie, steeds meer proberen om invloed uit te oefenen op het nationaal economisch en budgettair beleid, voorafgaand aan de uiteindelijke vaststelling van de begroting (ex ante). Dit gebeurt bovendien in een steeds meer hiërarchische verhouding. Als een lidstaat financiële bijstand ontvangt is de manoeuvreerruimte van de lidstaat om economische beleidsbeslissingen te nemen bovendien tot op grote hoogte beperkt.
Er wordt wel gezegd dat het Europese integratieproces zich voltrekt aan de hand van crises. Ook hier lijkt dit adagium van toepassing te zijn: hoewel de uitgangspunten in de verdragen niet zijn veranderd – nog altijd is sprake van een centraal geleide monetaire unie met daaraan gekoppeld een decentrale, intergouvernementeel geleide, economische unie – lijkt de verscheidenheid aan en de complexiteit van de maatregelen in reactie op de eurocrisis, de uitgangspunten van de EMU en het toezicht op het budgettair en economisch beleid van de lidstaten tot op zekere hoogte te hebben veranderd.1 De ontwikkelingen op dit terrein zijn bovendien nog in volle gang. Sinds de totstandkoming van het Europees Semester en de mechanismen voor financiële bijstand zijn er al veel veranderingen doorgevoerd en zijn verschillende plannen gepresenteerd voor de toekomst van de EMU.
Dit huidige model, waarin door middel van soms aanzienlijk gedetailleerde beleidsvoorschriften toezicht wordt gehouden op het budgettair en economisch beleid van de lidstaten, heeft gevolgen voor de democratische legitimatie van de beslissingen. Het lijkt niet mogelijk om zowel monetaire integratie als nationale autonomie te verwezenlijken, zonder dat dit ten koste gaat van democratie.2 Om volledige zeggenschap van de burgers te garanderen over de wijze waarop de door hen opgebrachte middelen worden besteed dient de democratische legitimatie te worden gegarandeerd op het niveau waar de belastingen worden geheven. Dit lijkt in de huidige opzet van de EMU echter niet geheel onproblematisch. Een klassiek federaal model, waarin de EMU (deels) zelf belastingen gaat heffen, zou hier grotendeels aan tegemoet komen. Een dergelijke stap richting een klassiek federaal model lijkt op de (middel)lange termijn echter een brug te ver te zijn. Zowel omdat dit een overdracht van bevoegdheden voor de nationale lidstaten impliceert, maar ook gelet op de huidige omstandigheden in de EMU, waarin de eurocrisis op het eerste gezicht lijkt te zijn geluwd en de directe noodzaak tot het nemen van maatregelen naar de achtergrond lijkt te zijn verdwenen.
In het vervolg van dit hoofdstuk zal ik in meer detail stilstaan bij de regels waaraan de eurolidstaat is onderworpen in het kader van het budgettair en economisch toezicht en wat deze regels betekenen voor de wijze waarop het budgettair en economisch beleid op nationaal niveau kan worden vormgegeven.