Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht
Einde inhoudsopgave
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/15.2.2.7:15.2.2.7 Kan de Moeder-dochterrichtlijn of de Rente- en royaltyrichtlijn de toepassing van de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie verhinderen?
Aftrekbeperkingen van de rente in het internationale belastingrecht (FM nr. 132) 2008/15.2.2.7
15.2.2.7 Kan de Moeder-dochterrichtlijn of de Rente- en royaltyrichtlijn de toepassing van de Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie verhinderen?
Documentgegevens:
mr. J. Vleggeert, datum 01-11-2008
- Datum
01-11-2008
- Auteur
mr. J. Vleggeert
- JCDI
JCDI:ADS298388:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht (V)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Europees belastingrecht (V)
Europees belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Kan de Moeder-dochterrichtlijn de toepassing van de regeling tegen onderkapitalisatie verhinderen? De Moeder-dochterrichtlijn beoogt onder meer om dividenden en andere winstuitkeringen van een dochteronderneming aan haar moedermaatschappij vrij te stellen van bronbelasting. De Nederlandse regeling tegen onderkapitalisatie is onderdeel van de vennootschapsbelasting. Het belastbare feit voor de toepassing van de Nederlandse vennootschapsbelasting is niet de uitkering en de omvang van winstuitdelingen maar het genieten van winst uit onderneming. De Nederlandse vennootschapsbelasting is daarom geen bronbelasting in de zin van de Moeder-dochterrichtlijn. Het komt mij voor dat art. 10d Wet VPB 1969 daarom in overeenstemming is met de Moeder-dochterrichtlijn.
Kan de Rente- en royaltyrichtlijn de toepassing van de regeling tegen onderkapitalisatie verhinderen? Art. 1 van deze richtlijn bepaalt dat uitkeringen van interest die ontstaan in een lidstaat, worden vrijgesteld van alle belastingen in die bronstaat (door inhouding dan wel door aanslag). Wanneer een bronstaat de aftrek van de rente weigert, wordt in feite vennootschapsbelasting geheven over de rente. !s de vennootschapsbelasting over de rente in dat geval te beschouwen als een belasting door aanslag als bedoeld in de richtlijn? De richtlijn zou dan in de weg kunnen staan aan de toepassing van art. 10d. Hier valt echter tegen in te brengen dat de vennootschapsbelasting geen belasting is op de rente maar een belasting over de winst.
In de tweede plaats rijst de vraag of uit art. 1, lid 3, Rente- en royaltyrichtlijn valt af te leiden dat de richtlijn uitgaat van een systeem waarin de rente aftrekbaar is bij de debiteur en belast bij de crediteur. Daar is namelijk bepaald dat een vaste inrichting alleen als uitbetaler van de rente wordt beschouwd als de rente in het bronland aftrekbaar is. Naar het mij voorkomt, bevat art. 1, lid 3, van de richtlijn evenwel niet het beginsel dat de rente aftrekbaar hoort te zijn. Er staat naar mijn mening niet meer dan dat een vaste inrichting alleen als uitbetaler van de rente wordt behandeld voor zover zij in de bronstaat in aftrek komt. Bovendien blijkt uit art. 4, lid 2, Moeder-dochterrichtlijn dat een dergelijk beginsel niet bestaat. In deze bepaling is namelijk geregeld dat de lidstaten bevoegd blijven om te bepalen dat lasten (waaronder rente) die betrekking hebben op een deelneming niet aftrekbaar zijn van de belastbare winst van de moedermaatschappij. De Rente- en royaltyrichtlijn kan daarom, naar het mij voorkomt, niet in de weg staan aan de toepassing van art. 10d Wet VPB 1969.