Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.4.3
7.4.3 De bescherming tegen de schuldeisers van de materiële erfgenamen
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232353:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over artikel 4:175 BW Asser/Perrick 4 2017/751. Zie ook N.V.C.E. Bauduin, ‘Testamentair bewind, ‘bijstandproof’?’, TE 2014/4.
Toelichting Meijers, p. 350. Omdat bij het gebruik van een stichting geen sprake is van op gekunstelde wijze ontgaan van een dwingende wetsbepaling, is geen sprake van wetsontduiking, zo is al gebleken in 7.2.3.1.
J. Elbers, ‘De Hoge Raad en vereenzelviging bij vermogensafscherming: Rainbow revisited’, WPNR 2017/7136. Zie ook 7.2.1, waar in voetnoot 4 te lezen is dat misbruik van identiteitsverschil niet onder alle omstandigheden gelijkgesteld kan worden met wetsontduiking. In dit geval echter wel.
Zie hierover J. Elbers, Misbruik van het identiteitsverschil en crediteursbenadeling. Een onderzoek naar vereenzelviging en klassieke vormen van redres (diss. Open Universiteit, NTHR-reeks Deel 20), Zutphen: Uitgeverij Paris 2014.
Naast bescherming van de materiële erfgenamen tegen schulden van de erflater, kan aan de oprichting van de stichting bij dode ook de wens ten grondslag liggen een materiële erfgenaam te beschermen tegen zijn eigen schuldeisers. Zonder nadere voorzieningen zullen schuldeisers van een erfgenaam of legataris zich kunnen verhalen op wat verkregen wordt uit de nalatenschap. Net als zij dat kunnen op elk ander vermogensbestanddeel van de schuldenaar. De erflater zou over de making een testamentair bewind kunnen instellen om zo te voorkomen dat de schuldeisers van de verkrijger zich kunnen verhalen op de making. Artikel 4:175 BW biedt deze mogelijkheid. De erflater zou echter ook bij dode een stichting kunnen oprichten en bepalen dat wat de stichting uit zijn nalatenschap ontvangt slechts kan worden aangewend ten behoeve van een materiële erfgenaam. De vraag of deze constructie gelijk te stellen is met een testamentair bewind werd hiervoor al besproken in 7.2.3, zodat ik mij hier kan concentreren op de vraag of de bij dode opgerichte stichting bescherming biedt tegen de eigen schuldeisers van de materiële erfgenaam zoals door de erflater gewenst. Het antwoord op deze vraag moet bevestigend zijn. Dat een schuldeiser van een erfgenaam zich niet kan verhalen op het geërfde vermogen, heeft de wetgever mogelijk gemaakt, zo blijkt uit het al genoemde artikel 4:175 BW.1
Meijers omschreef de strekking van de wettelijke regeling van bewind als:
‘een persoon, die niet geschikt is om goederen te beheren of die spilziek is of met schulden overbelast tegen zichzelf of tegen zijn schuldeisers te beschermen.’2
Uiteraard geldt de bescherming tegen de schuldeiser slechts tot het tijdstip dat de materiële erfgenamen de vrije beschikking krijgt over (een deel van) het vermogen. De erflater/oprichter van een stichting als hier bedoeld moet zich bedenken dat als hij de materiële erfgenamen meer geeft dan de blote verwachting dat zij uitkeringen zullen ontvangen, dit recht als zodanig kan worden uitgewonnen. De erflater doet er in dit soort gevallen beter aan de materiële erfgenamen slechts een blote verwachting op uitkeringen te verlenen en geen vorderingsrecht.
Een paar slotopmerkingen nog. Onder omstandigheden is het mogelijk dat sprake is van misbruik van identiteitsverschil tussen de formeel gerechtigden tot een vermogen en de feitelijk gerechtigde. Dan zou sprake zijn van wetsontduiking.3 Ik neem aan dat dat het geval zou kunnen zijn als de betreffende materiële erfgenamen overwegende invloed hebben op het bestuur van de stichting. In dat geval is sprake van strijd met het dupliceringsverbod zoals besproken in 5.3. Als de feitelijke verhoudingen niet in overeenstemming zijn met de juridische werkelijkheid, zouden schuldeisers onder omstandigheden ook nog het leerstuk van vereenzelviging van stal kunnen halen. Dit leerstuk gaat het onderzoek naar de bij dode opgerichte stichting echter te buiten.4