Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.7.3.6
6.7.3.6 Algemeen geformuleerde verplichting tot naleving van de Europese subsidie-regelgeving
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS398489:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld artikel 6.2, derde lid, van de Subsidieregeling Europese programma's van de provincie Gelderland voor de programmaperiode 2000-2006.
Dit geldt onder meer voor het standaardbesluit tot subsidieverlening dat wordt gebruikt in het kader van Kansen voor West (EFRO).
Zie bijvoorbeeld punt 5 van het standaardbesluit tot subsidieverlening inzake ETF, versie februari 2010.
ABRvS 20 oktober 2010, LJN B01136 (Stichting Adviescentrum Metaal).
Als - inmiddels - ervaringsdeskundige kan ik meedelen dat dit beslist niet eenvoudig is!
Het komt in de praktijk regelmatig voor dat in een Nederlandse subsidieregeling is neergelegd dat de eindontvanger van een Europese subsidie moet voldoen aan de verplichtingen die bij of krachtens de desbetreffende Europese subsidieverordening worden gesteld.1 Het komt ook voor dat een besluit tot subsidieverlening onder het kopje 'verplichtingen verbonden aan de subsidieverlening2 vermeldt dat de voorschriften neergelegd in Europese subsidieverordeningen van toepassing zijn op de subsidieverlenine of dat de ontvanger is gehouden zich te houden aan de voorwaarden die zijn opgenomen in de Europese subsidiebesluiten.3
Vanuit het gezichtspunt van het subsidieverstrekkende bestuursorgaan zijn dergelijke bepalingen wel te begrijpen. Beoogd wordt te voorkomen dat verplichtingen uit de Europese subsidieregelgeving niet aan de eindontvanger van de Europese subsidie kunnen worden tegengeworpen. De niet-naleving van Europese verplichtingen zou anders immers tot gevolg kunnen hebben dat de Europese Commissie de Europese subsidie niet wil vergoeden, terwijl de subsidie ook niet kan worden teruggehaald bij de eindontvanger van de Europese subsidie. Deze praktijk heeft echter wel tot gevolg dat het risico dat een eindontvanger van een Europese subsidie een bepaalde verplichting over het hoofd ziet, ten onrechte geheel bij de ontvanger komt te liggen. Uit de Europese subsidieregelgeving is vaak moeilijk te destilleren welke verplichtingen daaruit precies voortvloeien. Veel verplichtingen zijn gericht tot de lidstaat of het nationaal uitvoeringsorgaan, dan wel onvoldoende concreet geformuleerd.
Dit geldt in mindere mate voor de landbouwsubsidieverordeningen, maar des te meer voor de structuurfondsenverordeningen. Voorbeelden bieden de regels die in bijlage van de Commissieverordening nr. 1685/2000 zijn neergelegd. Deze regels zijn aan de orde in een uitspraak van de ABRvS van 20 oktober 2010.4 In regel nr. 1 onder 2, van deze verordening is bijvoorbeeld opgenomen dat de door de eindbegunstigden gedane betalingen in het algemeen moeten worden gestaafd met vereffende facturen. Wanneer dit niet mogelijk is, moeten deze betalingen worden gestaafd met boekingsstukken met vergelijkbare bewijskracht. Het ligt voor de hand dat deze bepaling niet direct doorwerkt in de subsidieverhouding tussen het nationale uitvoeringsorgaan en de eindontvanger van Europese subsidies, reeds omdat in artikel 1 van de Verordening nr. 1685/2000 is opgenomen dat de regels van toepassing zijn om te bepalen of uitgaven voor subsidie in aanmerking komen. Hieruit blijkt dat de regels zijn gericht tot nationale uitvoeringsorganen en niet tot de eindontvanger.
Voor de Europese besluiten in het kader van de migratiefondsen geldt dat zij in hun geheel zijn gericht tot de lidstaat. Dit betekent dat de eindontvanger ten aanzien van elke daarin opgenomen bepaling moet bedenken of daaruit wellicht een subsidieverplichting voor hemzelf voortvloeit en daarbij ook nog moet bezien of wellicht sprake is van een niet-doelgebonden verplichting, waarvoor een wettelijke grondslag is vereist.
Voormelde praktijk is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en in gevallen waarin voor het opleggen van een subsidieverplichting op grond van de subsidietitel van de Awb een wettelijke grondslag is vereist, in strijd met de wet. De wettelijke grondslag voor het opleggen van subsidieverplichtingen in de zin van de artikelen 4:38 en 4:39 moet immers voldoende specifiek zijn. Gelet hierop, is het noodzakelijk dat de op te leggen subsidieverplichtingen die voortvloeien uit de Europese subsidieregelgeving in de Nederlandse subsidieregeling worden neergelegd, ofwel in de besluiten tot subsidieverlening. Op grond van het rechtszekerheidsbeginsel kan niet van eindontvangers van de Europese subsidies worden gevergd dat zij zelf op zoek moeten naar de voor hen uit de Europese subsidieregelgeving voortvloeiende subsidieverplichtingen.5