Einde inhoudsopgave
Gewogen rechtsmacht in het IPR (R&P nr. 148) 2006/6.6.4.2
6.6.4.2 Gerechten van niet-lidstaten
mr. F. Ibili, datum 28-11-2006
- Datum
28-11-2006
- Auteur
mr. F. Ibili
- JCDI
JCDI:ADS436756:1
- Vakgebied(en)
Internationaal privaatrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Na de inwerkingtreding van het HKbV 1996 voor Nederland, zal de Nederlandse rechter op grond van art. 8 HKbV 1996 de zaak wel kunnen verwijzen naar gerechten van andere verdragsstaten niet zijnde lidstaten.
Zie Working Doc. 4 en 63; Toel. Rapport Lagarde, HKbV 1996, nr. 53. Volgens het voorstel van de VS zou de beslissing van het forum conveniens onder de erkenningsregels van het verdrag moeten vallen. Instemmend: D. van Iterson, 'Het herziene Haagse kinderbeschermingsverdrag', FJR 1997, p. 137; dezelfde, 'The new Hague convention on the protection of children: a view from the Netherlands', ULR 1997, p. 480.
De vraag rijst of het gerecht dat bevoegd is om over de zaak ten gronde te oordelen, zich op grond van art. 15 Vo-BIlbis forum non conveniens mag verklaren ten gunste van het gerecht van een staat waarmee het kind een bijzondere band heeft, maar waarvoor de verordening niet geldt (Denemarken of niet-EU-lidstaten zelfs indien zij partij zijn bij het HKbV 1996). Art. 15 beperkt de mogelijkheid van verwijzing uitdrukkelijk tot gerechten van andere lidstaten, dat wil zeggen staten die zijn gebonden aan de Vo-Brussel Ilbis. Dat is ook wel begrijpelijk, omdat art. 15 een verwijzingssysteem in het leven roept dat alleen goed kan lopen als zowel het verwijzende als het ontvangende gerecht zich houden aan de daarin neergelegde procedure. Een forum non conveniens-verwijzing naar gerechten van staten waarvoor de Vo-Brussel 1Ibis niet geldt, is op grond van art. 15 Vo-BI:Ibis dus niet mogelijk.1
Zou de mogelijkheid van verwijzing naar de gerechten van niet-lidstaten op basis van de Vo-Brussel nis wel moeten bestaan? Bij de onderhandelingen over het HKbV 1996 hebben de Amerikaanse en Nederlandse delegaties daarvoor tevergeefs gepleit.2 Op zich zelf genomen kan het belang van het kind erbij gebaat zijn dat niet de rechter van een lidstaat, maar van een niet-lidstaat zich over de zaak uitlaat. Er kleven hieraan echter ook bezwaren. Het gerecht van een niet-lidstaat is niet gebonden aan de procedure van art. 15 zodat niet verzekerd is dat de verwijzing van de zaak op de juiste wijze plaatsvindt. Daarmee zouden de belangen van het kind in het gedrang kunnen komen. Bovendien kunnen ook complicaties rijzen bij de erkenning in lidstaten van de Europese Unie van een beslissing die is gewezen door het forum conveniens in een niet-lidstaat. Een dergelijke beslissing valt niet onder het soepele erkenningsregime van de Vo-Brussel Ilbis, maar is onderworpen aan het interne recht van de lidstaten. Om vergelijkbare redenen heeft het voorstel van de Amerikaanse en Nederlandse delegaties bij de onderhandelingen voor het HKbV 1996 het niet gehaald.