Einde inhoudsopgave
Het bestuursverbod bij de commanditaire vennootschap (IVOR nr. 93) 2013/1.1.7
1.1.7 Theoretisch kader
Mr. A.J.S.M. Tervoort, datum 11-07-2013
- Datum
11-07-2013
- Auteur
Mr. A.J.S.M. Tervoort
- JCDI
JCDI:ADS443727:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Personenvennootschappen
Voetnoten
Voetnoten
Timmerman (1990), p. 13. In vergelijkbare zin voor iedere juridische dissertatie: Tijssen (2009), p. 55, die dit theoretisch kader ook wel de inhoudelijke verankering noemt: een afgrenzing en beschrijving van inhoudelijke inzichten en vooronderstellingen die de bril vormen waarmee de onderzoeker naar de wereld om zich heen kijkt en die hij in het onderzoek hanteert zonder de waarde ervan te adstrueren.
Timmerman (2006), p. 335, Assink (2010), p. 6-7, Van der Sangen & Zaman (2012), p. 157. Zo ook specifiek met betrekking tot personenvennootschappen de Minister van Veiligheid en Justitie, Kamerstukken I, 2010/11, 28 746 en 31 065, C, p. 1-2.
Raaijmakers (2012b), p. 251, spreekt van ondernemingen als ‘generatoren van onze welvaart’.
Pitlo/Raaijmakers (2006), nr. 1.2.1.
Zo ook Assink (2012), p. 111.
De Jongh (in druk), nr. 13.
Zie voor het belang van een lange-termijnoriëntatie door ondernemingen en hun aandeelhouders: Barton (2011), p. 88-89, Reflection Group (2011), p. 36-38, Kay Review (2012), nr. 6.28, Balkenende (2012), p. 42, Timmerman (2012c), p. 542, Timmerman (2012d), p. 522-523, Lennarts & Roest (2012), p. 41-48, Verdam (2013), p. 96-100, Mayer (2013), p. 190-227. In Section 172 van de Engelse Companies Act is sinds 2006 voor vennootschapsbestuurders de verplichting opgenomen om bij elk besluit onder andere ‘the likely consequences of any decision in the long term’ in hun overwegingen te betrekken. Zie over deze verplichting Davies & Worthington (2012) nr. 16-64 - nr. 16-79, vanuit Amerikaans perspectief: Harper Ho (2010), p. 77-80 en vanuit Nederlands perspectief: Verdam (2013), p. 93-97.
Zie voor het evenredigheidsbeginsel in het ondernemingsrecht: Van Ginneken & Timmerman (2011), p. 601-607, De Jongh (2011), p. 612-617, Timmerman (2012a), p. 166-168, Timmerman (2012b), p. 246-247, Timmerman (2012d), p. 517-522.
Zie over het utilitarisme: Bentham (1781), p. 13-17 en Mill (1871), p. 6-7, p. 14-15 en recentelijk in meer kritische zin: Sandel (2009), p. 31-57. Zie voor een beknopte beschrijving van het utilitarisme, waarbij dit met andere economische denkrichtingen wordt vergeleken: Sedláček (2009), p. 234 en p. 292-297.
Zie over deze wijze van rechtsbeoefening: Timmerman (2004), p. 4-5.
Timmerman heeft erop gewezen dat het zinvol is te expliciteren vanuit welk gezichtspunt voorstellen voor de ontwikkeling van het vennootschapsrecht worden gedaan.1 Bij het ontwikkelen van de ideeën in dit proefschrift ben ik uitgegaan van twee gezichtspunten, die ik hieronder zal toelichten. Het eerste is dat het vennootschapsrecht als primaire doel heeft het faciliteren van ondernemersactiviteiten.2 Ondernemen is onontbeerlijk voor het in stand houden en ontwikkelen van onze maatschappij.3 Vrijheid van ondernemerschap is dan ook een Europeesrechtelijk geborgd grondrecht.4 Het vennootschapsrecht dient in mijn visie deze vrijheid van ondernemen te dienen.5 Daarbij dient de ondernemer deze vrijheid zo te gebruiken, dat hij de belangen van derden die op enigerlei wijze betrokken zijn bij het wel en wee van de vennootschap en de aan haar verbonden onderneming, zoals werknemers, klanten, crediteuren, leveranciers, het milieu en in zekere zin de maatschappij als geheel, op adequate wijze bij zijn beleidsvorming betrekt.6 Daarmee is ook het lange-termijnbelang van de onderneming zelf optimaal gediend.7 Bij een evenredige8 afweging van al deze belangen wordt het grootste maatschappelijk nut bewerkstelligd.9 Het tweede gezichtspunt dat ik bij het schrijven van deze studie heb gehanteerd is dat het rechtssysteem zoveel mogelijk een consistent en coherent geheel behoort te vormen. Dat houdt onder meer in dat naar mijn overtuiging een rechtsstelsel soortgelijke problemen met soortgelijke maatregelen bestrijdt teneinde tot een soortgelijke oplossing van deze problemen te komen: een wettelijke regel moet systematisch passen in het geheel waarvan zij deel uitmaakt. In zoverre ben ik een aanhanger van een dogmatische beoefening van het recht.10