Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders
Einde inhoudsopgave
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.5.2:16.5.2 Preadvies Visser 1902
Financiering en vermogensonttrekking door aandeelhouders (VDHI nr. 120) 2014/16.5.2
16.5.2 Preadvies Visser 1902
Documentgegevens:
mr. J. Barneveld, datum 18-09-2013
- Datum
18-09-2013
- Auteur
mr. J. Barneveld
- JCDI
JCDI:ADS410241:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In zijn belangwekkende preadvies van 1902 stelde Visser zichzelf de vraag hoe men de “uitkeering van valsche dividenden op grond van verdeeling van fictieve winst” kon voorkomen.1 Visser definieerde ‘winst’ als het “voordelig verschil tusschen activa en passiva” en was daarom niet gelukkig met de formulering van art. 49 WvK 1838. Visser gaf aan dat het winstcijfer ook afhing van handelingen die geen eigenlijk gezegde inkomsten of uitgaven waren, zoals afschrijvingen en waardevermeerderingen. Deze moesten zijns inziens vanzelfsprekend wel worden verdisconteerd bij de vaststelling van de winst. Om tot een zuiver winstcijfer te komen dienden daarom onder de activa en passiva slechts die posten te worden opgenomen die daar daadwerkelijk behoorden en mochten de activa niet boven hun werkelijke waarde op de balans geactiveerd worden. Dit bracht de vraag mee of de wet regels betreffende de activering en waardering van balansposten moest bevatten. In zijn preadvies gaf Visser er blijk van zich destijds reeds bewust te zijn van de haken en ogen die aan dergelijke materiële voorschriften kleven. Deze nadelen brachten Visser uiteindelijk tot de conclusie dat – op een paar beperkte voorschriften na – noch voorschriften inzake de waardering, noch andere materiële voorschriften betreffende de samenstelling van de balans in de wet dienden te worden opgenomen.
Visser overwoog treffend: “Van die waardeeringsvoorschriften kan men dan ook zeggen, dat zij belemmerend kunnen zijn voor den gang van zaken in de vennootschap, en niet meer dan een schijnwaarborg geven. […] Van schijnwaarborgen moet de wetgever zich onthouden, daar zij slechts dienen om het publiek eene valsche gerustheid te verschaffen, in slaap te sussen. Men leeft in de onderstelling, dat de wettelijke voorschriften balansmisbruiken onmogelijk maken, doch bespeurt te kwader ure, dat langs die voorschriften genoeg wegen tot ontduiking geopend bleven.”2