Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020
Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.5.2:2.5.2 Verlenging van de vervolguitkering in 1995
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/2.5.2
2.5.2 Verlenging van de vervolguitkering in 1995
Documentgegevens:
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258864:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Na het bereiken van de maximumduur van de loongerelateerde basisuitkering van zes maanden en de daaropvolgende loongerelateerde verlengde uitkering had de uitkeringsgerechtigde volgens de WW in 1987 nog recht op een vervolguitkering van een maximaal een jaar op minimumniveau (70 procent van het wettelijk minimumloon). Voor uitkeringsgerechtigden die op de eerste werkloosheidsdag 57,5 jaar of ouder waren, was de maximale duur van de vervolguitkering 3,5 jaar. Uitkeringsgerechtigden die wel aan de 3-uit-5-jareneis voldeden, maar geen recht hadden op een verlengde loongerelateerde uitkering omdat zij een arbeidsverleden hadden van minder dan vijf jaar, hadden ook recht op deze vervolguitkering. De vervolguitkering volgde dan direct op de basisuitkering van zes maanden.1
In de wetswijziging in 1995 werd de vervolguitkering verlengd van een jaar naar twee jaar. De rechtvaardiging voor de verlenging was gelegen in het feit dat ze bestemd was voor een groep die een duidelijke(re) band met het arbeidsproces had, gezien de reeds verscherpte toetredingsvoorwaarden. De verlengde vervolguitkering zou ertoe leiden dat de aan de bijstand verbonden vermogenstoets langer zou uitblijven. Dit was van belang omdat de werkloosheid door de slechtere werkgelegenheidssituatie aan het groeien was en meer werklozen in de bijstand dreigden te komen. De langere vervolguitkering zorgde ervoor dat werklozen met een slechte arbeidsmarktpositie gedurende langere tijd hun vermogen niet hoefden aan te spreken.2 Ook de financiële onafhankelijkheid ten opzichte van de partner bleef dan langer gewaarborgd, omdat de gezinsinkomenstoets ook met een jaar werd uitgesteld. De vervolguitkering voor werklozen die op hun eerste werkloosheidsdag 57,5 jaar of ouder waren, was al (maximaal) 3,5 jaar. Deze groep bleef onder de toen bestaande regels tot het bereiken van de (toen) pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar in aanmerking komen voor een WW-uitkering, zodat verlenging van de vervolguitkering voor die groep niet nodig was.3