Einde inhoudsopgave
Eigendomsgrondrecht en belastingen (FM nr. 161) 2020/13.4.3.3
13.4.3.3 De procedurele eis van een effectief rechtsmiddel als onderdeel van lawfulness
dr. T.C. Gerverdinck, datum 13-03-2020
- Datum
13-03-2020
- Auteur
dr. T.C. Gerverdinck
- JCDI
JCDI:ADS197384:1
- Vakgebied(en)
Europees belastingrecht / Mensenrechten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99 (Capital Bank AD v. Bulgaria).
HR 22 oktober 2010, nr. 08/02324, BNB 2010/335 m.nt. Van Leijenhorst. Zie eveneens het arrest HR 10 juli 2009, nr. 08/01578, BNB 2009/246 m.nt. Zwemmer over de categorische uitsluiting van een relevant verweer bij procedures over de kosten van een dwangbevel.
EHRM 23 november 2006, nr. 73053/01 (Jussila v Finland), EHRC 2007/31 m.nt. Albers, par. 43.
Zie de noot van D.G.J. Sanderink in AB 2011/32.
Vgl. EHRM 24 november 2005, nr. 49429/99 (Capital Bank AD v. Bulgaria).
Iets dergelijks deed zich voor in HR 11 april 2014, nr. 13/04507, BNB 2014/195. De belanghebbende in deze zaak had krachtens erfrecht een overbedelingsvordering verkregen waarvan de omvang mede werd bepaald door de waarde van een woning. De belanghebbende wilde de WOZ-waardering van de woning bestrijden en had daartoe een op eigen naam gestelde WOZ beschikking gevraagd. De heffingsambtenaar weigerde om deze beschikking af te geven, zodat de belanghebbende geen mogelijkheid had om de waardering van de woning ter discussie te stellen. Volgens de Hoge Raad kon de belanghebbende wel een eigen WOZ beschikking vragen, omdat de belanghebbende een fiscaal belang had als bedoeld in artikel 28, lid 1, Wet WOZ. Aldus beschikte de belanghebbende wel over een rechtsmiddel. In een overweging ten overvloede maakt de Hoge Raad duidelijk dat de belanghebbende hiermee over de ingevolge artikel 1 Eerste Protocol vereiste procedurele garanties beschikte. Hiermee suggereert de Hoge Raad dat als de belanghebbende niet over procedurele garanties zou beschikken, er wel strijd zou zijn met artikel 1 Eerste Protocol. Zie over de derde belanghebbende en artikel 1 Eerste Protocol verder Beukers-van Dooren 2016.
De Commissie ficties en forfaits van de Vereniging voor Belastingwetenschap beschouwt een fictie als een vorm van wetgevingstechniek waarbij ‘iets’ (een nevenbegrip) onder een begrip (het hoofdbegrip) wordt gebracht waartoe het niet behoort, met als doel dat de rechtsregels die voor het hoofdbegrip gelden ook voor het nevenbegrip zullen gelden. Een fictie wordt volgens de Commissie doorgaans gebruikt uit een oogpunt van wetgevingstechniek. Een forfait is volgens de Commissie een regeling die een vaste waarde toekent aan bijvoorbeeld een genoten voordeel of nadeel, welke waarde in de plaats komt van het werkelijk door de belastingplichtige genoten voordeel of nadeel. Een forfait wordt volgens de Commissie doorgaans gebruikt om te komen tot een praktische benadering van de werkelijkheid, die grondslag is voor een belastingheffing. Vereniging voor Belastingwetenschap 2014, p. 7-9.
HR 22 oktober 2010, 08/02324, BNB 2010/335 m.nt. Van Leijenhorst.
Pauwels 2012, p. 71.
De Fierensmarge hield in dat een bij WOZ-beschikking vastgestelde waarde van een onroerende zaak geacht werd juist te zijn, indien de afwijking tussen de vastgestelde waarde en de werkelijke waarde van die zaak minder dan 5% bedroeg.
Zie HR 2 juni 2017, nr. 16/04765, BNB 2017/187 m.nt. Pauwels over het autokostenforfait. Ingevolge deze regeling wordt de waarde van het privégebruik van een door de werkgever ter beschikking gestelde auto die voor meer dan 500 kilometer privé wordt gebruik berekend op basis van een percentage van de cataloguswaarde van de auto, zelfs als de waarde van dat gebruik werkelijkheid veel minder bedraagt.
De Hoge Raad verwijst in arresten waar dit formele aspect van lawfulness aan de orde komt veelal naar het Capital Bank AD-arrest van het EHRM (zie par. 3.4.2 en 5.5).1 Hij lijkt de rechtspraak van het EHRM zo te interpreteren dat niet ieder ontbreken van een effectief rechtsmiddel vanzelf tot de conclusie leidt dat artikel 1 Eerste Protocol is geschonden, omdat dit ontbreken onder omstandigheden kan worden gerechtvaardigd. Dit kan bijvoorbeeld worden opgemaakt uit het arrest BNB 2010/335, waarin de Hoge Raad de zogenoemde Fierensmarge in strijd met artikel 1 Eerste Protocol oordeelde.2 Deze Fierensmarge hield in dat de bij beschikking vastgestelde waarde van een onroerende zaak geacht werd juist te zijn, als de afwijking tussen de vastgestelde waarde en de werkelijke waarde van die zaak binnen een in de wet omschreven marge bleef. Het effect hiervan was dat een met zekerheid onjuiste waardebepaling die binnen de wettelijke marge bleef niet kon worden betwist. De Hoge Raad had het bij de vaststelling kunnen laten dat de belastingplichtige niet beschikte over de vereiste procedurele garanties (bezwaar en beroep instellen was immers zinloos), maar hij onderzocht ook of er een rechtvaardiging kon worden gevonden voor de categorische uitsluiting van een rechtsmiddel. Die rechtvaardiging kon volgens de Hoge Raad niet worden gevonden in de omstandigheid dat de bepaling van de waarde van een onroerende zaak is omgeven met – beperkte – onzekerheidsmarges. De categorische uitsluiting van een rechtsmiddel kon volgens de Hoge Raad evenmin worden aanvaard op grond van het argument dat het financiële belang van een WOZ-beschikking beperkt zou zijn:
“De categorische uitsluiting van een effectief rechtsmiddel door artikel 26a Wet WOZ kan evenmin worden aanvaard op grond van het argument dat het geringe bedragen betreft. De bij beschikking op basis van de Wet WOZ vastgestelde waarde heeft gevolgen voor de hoogte van diverse belastingen. Het effect van toepassing van artikel 26a Wet WOZ op de belasting die een belanghebbende in een jaar in totaal verschuldigd is, kan oplopen tot bedragen die van een meer dan geringe omvang zijn. Als gevolg daarvan kan niet worden gezegd dat het bij toepassing van deze bepaling om zodanig geringe bedragen gaat, dat op die grond in de vaststelling en handhaving van rechtens onjuiste beschikkingen zou kunnen worden berust. Daarbij komt nog dat de waarde die op grond van de Wet WOZ is vastgesteld, in het onderhavige tijdvak in de regel gold voor een periode van twee jaar, en daardoor invloed had op de hoogte van belastingaanslagen voor een tweetal jaren.’’
De Hoge Raad gaat er dus vanuit dat als het om geringe bedragen gaat er berust zou kunnen worden in het ontbreken van een effectief rechtsmiddel. Het is de vraag of deze zienswijze in overeenstemming is met de rechtspraak van het EHRM. Toegegeven moet worden dat het EHRM in het Capital Bank arrest constateerde dat de intrekking van de bankvergunning “grave consequences” had voor de betrokkene, hetgeen zou kunnen betekenen dat het ontbreken van een effectief rechtsmiddel onder minder grave omstandigheden gerechtvaardigd zou kunnen zijn, net zoals het achterwege laten van een zitting in een fiscaal boeteproces gerechtvaardigd kan zijn omdat in zaken die geen hard core strafrecht zijn, de eisen van artikel 6 EVRM niet with their full stringency toegepast hoeven te worden (zie par. 5.5).3 Sanderink heeft kritiek op de rechtsopvatting van de Hoge Raad in het Fierensmarge-arrest.4 Volgens hem zou een belastende beslissing van de overheid in ieder geval in één instantie effectief bestreden moeten kunnen worden. De overweging uit het Capital Bank arrest met betrekking tot de grave consequences dwingt volgens hem niet tot een andere conclusie, omdat deze overweging ook zo begrepen kan worden dat een effectieve procedure beschikbaar moet zijn, juist ook, maar niet alleen indien de gewraakte overheidshandeling ernstige c.q. niet geringe gevolgen heeft voor de burger. Ik meen dat het nodige te zeggen valt voor de opvatting van Sanderink. De rule of law en het vereiste van lawfulness vergen dat iedere maatregel die het ongestoorde genot van eigendom aantast, vergezeld moet gaan van procedurele garanties die de betrokkene een redelijke mogelijkheid bieden tot effectieve betwisting van de rechtmatigheid van die maatregel.5 Deze eis van procedurele garanties kan ook meebrengen dat degene die een financieel belang heeft bij een beschikking die is opgelegd aan ander (een derde-belanghebbende), moet beschikken over een eigen rechtsmiddel om zich tegen die beschikking te verzetten.6
De vraag kan worden gesteld of belastingheffing op basis van een fictie of forfait7 zonder tegenbewijsmogelijkheid op gespannen voet staat met het vereiste van een effectief rechtsmiddel. Een belastingplichtige kan zich immers niet met succes verzetten tegen een onjuiste (van de werkelijkheid afwijkende) fictieve of forfaitaire waardebepaling. De Nederlandse rechter mag een in de formele wet opgenomen bepaling immers niet zomaar buiten toepassing laten. Dat kan alleen als de toepassing van die bepaling in strijd zou komen met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. In het arrest over de Fierensmarge heeft de Hoge Raad op enigszins cryptische wijze duidelijk gemaakt forfaits niet als een principieel probleem te zien, aangezien bij regelingen die voorzien in een forfaitaire waardebepaling of in een indeling van zaken in waardeklassen:
“de onjuistheid van het oordeel van het bestuursorgaan in die gevallen op grond van de toepasselijke wettelijke regeling niet van invloed is op het bedrag van de verschuldigde belasting, zodat daarmee de rechtmatigheid van de heffing van die belasting niet op het spel staat.”8
Volgens Pauwels is de kern van het arrest van de Hoge Raad over de Fierensmarge-arrest dat het ging om een regeling die in wezen een procedurele bepaling was die verhinderde dat de rechter kan toetsen of een beschikking rechtmatig is, beoordeeld naar het materiële recht. Daarvan moet volgens Pauwels worden onderscheiden een regeling die onderdeel is van het materiële recht, hetgeen bij de meeste ficties, forfaits en antimisbruikregelingen het geval is.9 Het komt mij voor dat de scheidslijn dun is tussen enerzijds een regeling als de Fierensmarge10 en anderzijds een belastingheffing op basis van een fictie of forfait of waardeklassen. In beide gevallen bestaat op zichzelf toegang tot de rechter, omdat er bezwaar en beroep mogelijk is tegen de WOZ-beschikking/belastingaanslag, maar moet worden geconstateerd dat dat beroep kansloos is. In het geval van de Fierensmarge resulteert het procedurele gebrek aan effectieve rechtsbescherming echter erin dat de eigendomsaantasting niet als lawful kan worden aangemerkt, terwijl de Hoge Raad het in geval van materiële belastingheffing over een forfait laat aankomen op de fair balance toets.11 Mogelijk kan het verschil tussen beide ook verklaard worden doordat de Fierensmarge altijd in het nadeel van de belastingplichtige werkte, terwijl een fictie of forfait of indeling in waardeklassen in beginsel beide kanten op werkt, dus mogelijk ook in het voordeel van de belastingplichtige.