Einde inhoudsopgave
Raad zonder raadgevers? (SteR nr. 42) 2018/3.3.4
3.3.4 Externe adviezen
drs. J.W.M.M.J. Hessels, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
drs. J.W.M.M.J. Hessels
- JCDI
JCDI:ADS581543:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Pas in 2009 zullen de wethouders weer het wettelijke recht krijgen om aanwezig te zijn bij en het woord te voeren tijdens raadsvergaderingen (Kamerstukken II 2006/07, 30902, art. I B).
Kamerstukken II 2000/01, 27751, 3, p. 121: ‘Eén van de onderdelen van het onderhavige wetsvoorstel behelst de overheveling van het bevoegd gezag van de gemeenteambtenaren van de raad naar het college. Voor de meeste ambtenaren heeft dit geen enkel gevolg omdat de bevoegdheid tot aanstelling, schorsing en ontslag van gemeenteambtenaren veelal door de raad aan het college is overgedragen, al dan niet met de mogelijkheid van uitzonderingen. Het eerste lid van artikel VI beoogt onduidelijkheden over het bevoegd gezag ten aanzien van gemeenteambtenaren die onder de werking van de huidige Gemeentewet wel door de raad zijn aangesteld, te voorkomen. Op grond van de artikelen 125, 125c en 134 van de Ambtenarenwet is het bevoegd gezag van de ambtenaren gerechtigd tot, kort gezegd, het stellen van rechtspositievoorschriften. Het tweede lid van artikel VI regelt dat thans door de raad vastgestelde voorschriften geacht worden te zijn vastgesteld door het college. Dit voorkomt dat de huidige voorschriften in totaliteit vervangen zouden moeten worden door voorschriften van het college, hetgeen een onnodige regelgevingsoperatie bij gemeenten zou vergen. Bovendien wordt hiermee buiten twijfel gesteld dat het college bevoegd is wijzigingen aan te brengen in bestaande voorschriften. Anders dan de VNG in haar advies over het voorontwerp van wet veronderstelt, is er dus geen sprake van een hybride regeling waarbij het college bevoegd gezag is en de raad gerechtigd is rechtspositieregelingen vast te stellen. De uitzondering ten aanzien van de secretaris is nodig, omdat deze door de raad zal blijven worden aangesteld. Mocht er een griffier worden aangesteld, dan wordt het college bevoegd gezag over de secretaris en stelt hij ook de rechtspositieregeling van deze functionaris vast.’
Vanwege de haast, die het hele wetgevingsproces van de Wet dualisering gemeentebestuur tekende, was de mogelijkheid voor externe partijen om een mening te vormen en te ventileren over het wetsontwerp ook bijzonder beperkt. De minister verzocht gericht aan de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Kiesraad om te reageren, wat ze alle drie ook deden. Daarnaast namen nog enkele individuele gemeenten de moeite om te reageren. De reacties van de individuele gemeenten kwamen in grote lijnen overeen met de VNG-opmerkingen en de Kiesraad deed slechts enkele suggesties van overwegend technische aard voor verbetering van de tekst van het wetsvoorstel, die allemaal door de minister werden overgenomen. Daarom wordt hieronder slechts ingegaan op de commentaren van VNG en IPO.
VNG en IPO geven beide aan dat zij de hoofdlijnen van de voorgestelde dualisering van het gemeentebestuur steunen, waarbij de VNG nadrukkelijk enkele kritische kanttekeningen plaatst.
De reactie van de VNG gaat allereerst in op de procedure van het wetsvoorstel, waarvan – naast de korte reactietermijn en de constatering dat de grote haast tot weeffouten in het ontwerp heeft geleid – vooral gewezen wordt op de volgordelijkheid in de dualiseringsoperatie. Volgens de VNG had eerst de wijziging van de Grondwet moeten worden afgewacht, voordat de overige wetgeving werd aangepast. De VNG ziet de positie van de gemeenteraad – vanwege de discussie over het ‘hoofdschap’ van de raad – hierdoor minder helder worden dan gewenst. Daarnaast zegt de VNG dat voor de dualiseringsvoorstellen te veel gekeken is naar de verhoudingen op rijksniveau, terwijl deze op lokaal niveau daar veel van afwijken. In dit kader geeft de VNG bovendien aan dat de voorgestelde structuurveranderingen niet zullen beklijven zonder cultuurverandering en dat voor dit laatste meer tijd nodig is dan nu voorzien. De minister legt al deze opmerkingen vriendelijk, maar beslist naast zich neer.
Vervolgens plaatst de VNG kanttekeningen bij enkele bestaande en bij enkele nieuwe bevoegdheden van de gemeenteraad. De VNG vindt het bijvoorbeeld ongewenst om de bevoegdheid besluiten te nemen tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen over te hevelen van raad naar college. Hetzelfde geldt voor het schrappen van artikel 148 van de Gemeentewet, dat de mogelijkheid bevat voor de raad om beleidsregels te stellen ten aanzien van de uitoefening van medebewindsbevoegdheden van het college. De minister wijst beide bezwaren van de hand onder verwijzing naar de kern van de dualiseringsgedachte. Het college wordt de ‘uitvoerende macht’ en legt politieke verantwoording af aan de raad. Beide voorstellen passen in die gedachtegang.
De VNG wijdt ook enkele opmerkingen aan het al dan niet aanwezig mogen of moeten zijn van de wethouders en de gemeentesecretaris bij de vergaderingen van de gemeenteraad. Dit leidt evenmin tot aanpassingen van het wetsvoorstel.1
De nieuwe rechten, die de gemeenteraad krijgt – het recht van amendement, het recht van initiatief, het recht van interpellatie, het vragenrecht en het enquêterecht – leiden niet tot enthousiasme bij de gemeentelijk belangenbehartiger. De eerste twee zijn in veel gemeenten al in het Reglement van Orde geregeld, zo stelt de VNG, terwijl ze twijfelt of de andere nieuwe rechten zinvol kunnen functioneren op gemeentelijk niveau. De raad kan beter op basis van het huidige artikel 169 Gemeentewet de wijze van informatieverstrekking nader normeren. De minister acht deze nieuwe rechten echter van doorslaggevend belang voor het versterken van de positie van de raad in een duaal bestel en handhaaft zijn voorstellen.
Nadrukkelijk wijst de VNG op de hybride benoemingsprocedure voor de secretaris. Deze is niet langer op haar plaats in een duaal bestel. De minister verwijst naar de mogelijkheid voor de gemeenteraad om te kiezen voor een eigen raadsgriffier, waarna de secretaris eenduidig door het college benoemd zal worden. Hij verduidelijkt naar aanleiding van deze opmerking van de VNG wel de toelichting over wie het bevoegd gezag is over secretaris en griffier.
Grote bezwaren heeft de VNG tegen de verplichtstelling van een gemeentelijke rekenkamer. Dit is in strijd met de gemeentelijke beleidsvrijheid, zo wordt gesteld. De minister repliceert dat het hier gaat om een zeer belangrijk element in het gewenste bestuursstelsel van de gemeente en dat dergelijke elementen in de Nederlandse verhoudingen altijd een zaak van dwingend recht zijn.
Ten slotte beveelt de VNG aan om de vaststelling van de rechtspositiereglementen naar het college over te hevelen. De minister acht dit niet noodzakelijk: ‘Omdat het college bevoegd gezag wordt, vloeit uit de Ambtenarenwet voort dat deze regelingen ook door het college worden vastgesteld.’2 Hierbij verwijst hij naar de artikelsgewijze toelichting3 over het overhevelen van het ‘bevoegd gezag’ op dit punt van raad naar college.
De opmerkingen van het IPO hebben voornamelijk betrekking op de organisatie van de gemeentelijke financiële taak, waar de provincie toezicht op uitoefent. Daarnaast oppert het IPO enkele praktische verbeteringen (zoals de tijdelijke vervanging van een wethouder door een raadslid, met het latere recht op terugkeer in de raad), die niet door de minister worden overgenomen.
Ook het IPO wijst op het onduidelijke onderscheid tussen griffier en gemeentesecretaris. Dat zal niet leiden tot een heldere bestuurspraktijk voor de burger. ‘Die constatering is op zich juist. Het bedoelde onderscheid is echter wel één van de randvoorwaarden voor het bewerkstelligen van verduidelijking van de rollen van raad, college en ambtelijke organisatie’,4 antwoordt de minister. Helaas zonder verduidelijking van het antwoord.