Einde inhoudsopgave
Biases in de boardroom en de raadkamer (VDHI nr. 160) 2020/3.3.1
3.3.1 Het economische argument
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. drs. C.F. Perquin-Deelen
- JCDI
JCDI:ADS111442:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook de indicatoren voor gendergelijkheid zoals opgesteld door McKinsey: McKinsey 2017, p. 23.
McKinsey 2017, p. 6, 8, 11; McKinsey 2015.
The Global Gender Gap Report 2017, p. VIII.
McKinsey 2018, p. 23-26.
Zie bijvoorbeeld: McKinsey 2007; McKinsey 2018; Catalyst 2007; Lückerath- Rovers 2018; Credit-Suisse Report 2012, p. 12-13; Credit-Suisse Report 2014; Credit-Suisse Report 2016, p. 22; Carter e.a. 2003, p. 51 (meten niet enkel genderdiversiteit); Erhardt & Werbel 2003 (hoewel zij wel hun resultaat limiteren, zie p. 108, wordt dit onderzoek wel regelmatig aangehaald als ‘pro-causaal verband’); Jizi & Nehme 2017, p. 602; Mayer e.a. 2018, p. 645. De primaire maatstaf voor innovatie is in dit onderzoek het aantal nieuwe productaankondigingen. Het diversiteitsbeleid wordt onder andere gemeten aan de hand van of vrouwen en andere minderheden cruciale posities bekleden binnen de vennootschap en of de vennootschap een progressief beleid heeft ten aanzien van de aanname van LGBT werknemers. Zie meer uitgebreid p. 618; Krishnan & Park 2005, p. 1718. Zie ook: https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gelijke-behandeling-op-het-werk/culturele-diversiteit-werkvloer.
Conyon & He 2017, p. 199, 207. Zie over de complexiteit van de metingen ook: Sanan 2016, p. 5.
McKinsey 2017, p. 6, 10; McKinsey 2015.
Barber & Odean 2001, p. 261 e.v. Zie voor een nuance: Sapienza e.a. 2009, p. 15268 e.v.
Vathuntoo e.a. 2016, p. 26 e.v.
Sila e.a. 2016, p. 26 e.v.
Judge 2003, p. 21. Zie voorts kritisch over de data-analyse en de resultaten van dit onderzoek en met een andere conclusie: Ryan & Haslam 2005, p. 82, 86; Lückerath-Rovers 2013, p. 496.
Riepe & Yang 2019, p. 12-13.
Adams & Ferreira 2009; Van Ees e.a. 2007, p. 22; Rose 2007, p. 410; Farrell & Hersch 2005; Bonn e.a. 2004, p. 105 e.v.; Sanan 2016, p. 12; Triana e.a. 2014. Zie meer algemeen over de complexiteit tussen team diversiteit en team outcome: Horwitz & Horwitz 2007, p. 987 e.v.
Rose 2007, p. 412.
Bijvoorbeeld: Ryan & Haslam 2005, p. 87.
Niet over specifiek het aanstellen van vrouwen, wel over het effect van veranderingen in management (onder meer het aanstellen nieuwe bestuurders) op de waardering door aandeelhouders: Furtado & Rozeff 1987, p. 157.
Adams & Ferreira 2009, p. 308.
Genderdiversiteit gaat veel verder dan ‘enkel’ diversiteit in de bestuurslagen van vennootschappen. Het heeft betrekking op gelijkheid in alle lagen van werk, juridische bescherming, politieke stem, fysieke veiligheid en autonomie.1 Genderdiversiteit is niet alleen van belang gelet op de gelijkheid van mannen en vrouwen, maar heeft bovendien economische consequenties. Vrouwen meer betrekken bij de workforce leidt tot een toename van $ 11,8 triljoen aan het huidige wereldwijde bruto binnenlands product (bbp) in 2025, als de kloof tussen mannen en vrouwen gedicht zou worden. In West-Europa alleen zou de toename van het bbp $ 2.1 triljoen in 2025 zijn.2 Het dichten van de gender gap – het bereiken van gelijkheid tussen mannen en vrouwen – zou $ 250 biljoen aan het bbp van het Verenigd Koninkrijk, $ 320 biljoen aan het bbp van Frankrijk en $ 310 biljoen aan het bbp van Duitsland toevoegen.3 In Nederland zou de toename van het bbp € 100 biljoen zijn.4
Als wij ons richten op het effect van genderdiversiteit in de top bestaat een meer divers beeld. Het meten van de ‘economische prestatie’ van vennootschappen geschiedt aan de hand van verschillende waarderingsmethoden zoals de ontwikkeling van de aandelenkoers, Return on Equity (ROE), Return on Asset Ratio (ROA), Earnings per Share (EPS), net income growth, net debt to equity, price/book value (P/BV) en Tobin’s Q. Niet elk onderzoek hanteert dezelfde methode. Bovendien is de reikwijdte van de onderzoeken verschillend. Dit verschil in methode en reikwijdte bemoeilijkt een vergelijking. Voorts is de situatie bij Nederlandse vennootschappen niet volledig vergelijkbaar met de situatie in landen waar bijvoorbeeld sprake is van een one-tier board systeem (t.o.v. de meerderheid van two-tier boards in Nederland). Veel van de onderzoeken zijn uitgevoerd in landen met een one-tier board. Zij spreken daarom over boards. Deze benaming houd ik aan in het vervolg van deze paragraaf. De leden van de board noem ik boardmembers. De reden dat ik deze leden geen bestuurders noem, is omdat de onderzoeken eveneens doelen op de non-executives, deels vergelijkbaar met de commissarissen. Ik ben ervan op de hoogte dat non-executives in de praktijk en juridisch gezien niet gelijk zijn aan commissarissen, maar wel deels vergelijkbaar.
De literatuur over de impact van een meer genderdiverse top van de vennootschap op de prestatie van de vennootschap trekt verschillende conclusies. Er zijn onderzoeken die aantonen dat meer genderdiversiteit in de top onder meer leidt tot hogere winstmarges, een hogere waardering, minder risico’s, een hogere cash- flow en een betere koersontwikkeling.5 Genderdiversiteit leidt volgens onderzoek van Conyon e.a. met name tot een beter bedrijfsresultaat bij al goed presterende vennootschappen. Dit effect is bij slechter presterende vennootschappen minder groot.6 Divers samengestelde vennootschappen hebben betere overlevingskansen en zijn meer vernieuwend omdat zij beter weten wat speelt onder hun klanten.7 Tegelijkertijd wordt geconcludeerd dat een beter bedrijfsresultaat bereikt zou worden doordat vrouwen meer risico-avers zijn dan mannen.8 Het betere bedrijfsresultaat kan ook anders uitgelegd worden, namelijk dat als vrouwen meer risico- avers zijn, de vennootschap juist corporate opportunities mist. Ander onderzoek benadrukt weer dat geen causaal verband bestaat tussen een genderdiverse board en firm risk.9 En ander onderzoek concludeert dat een meer genderdiverse board niet tot gevolg heeft dat de vennootschap minder risicovolle investeringen aangaat.10
Ook voor wat betreft de overkoepelende vraag of genderdiversiteit een positieve invloed heeft op het bedrijfsresultaat spreken onderzoeken elkaar tegen. Naast de juist genoemde ‘positieve’ onderzoeken, zijn er ook onderzoeken die spreken over een negatief causaal verband: vrouwen hebben in de board heeft een negatieve invloed op het resultaat van de vennootschap.11 Ander recent onderzoek laat zien dat sprake kan zijn van een value bias in het meetinstrument (hier: Tobin’s Q), waardoor resultaten in onderzoek naar genderdiversiteit in de board en een beter bedrijfsresultaat, onbetrouwbaar zijn.12
Een deel van de onderzoeken geeft aan dat het vaststellen van een causaal verband tussen genderdiversiteit en een beter bedrijfsresultaat, niet mogelijk is.13 Dit stemt overeen met het zojuist geschetste diffuse beeld van het effect van genderdiversiteit in de top op de economische prestatie van de vennootschap. Een mogelijke oorzaak voor het ontbreken van een causaal verband zou de zogenaamde ‘socialisatie’ van de boardmember met een meer diverse achtergrond (bijvoorbeeld, maar niet beperkt tot, gender) kunnen zijn. Socialisatie betekent hier dat de boardmembers met een meer diverse achtergrond zich aanpassen aan de ‘standaard’ bestuurders, waardoor de toegevoegde waarde van diversiteit verloren gaat en geen causaal verband tussen diversiteit en bedrijfsresultaat meetbaar is.14 Een andere verklaring is dat vrouwelijke boardmembers vaak worden aangesteld in tijden dat het minder goed gaat met de vennootschap, omdat de board zich dan druk gaat maken om het imago en daardoor vrouwen aanstellen voor de board.15 Een dergelijke beslissing geeft namelijk het signaal richting de aandeelhouders dat ‘verandering (en dus een beter resultaat) op komst is’.16 Is of wordt de prestatie van de vennootschap beter door de input van vrouwen in de board, verbetert de prestatie van de vennootschap omdat de vennootschap überhaupt meer bezig is met een goede corporate governance, of zijn andere factoren van invloed die niet zijn gemeten in het betreffende onderzoek? Veel van de onderzoeken hebben meervoudige conclusies. Het onderzoek van Adams & Ferreira is toonaangevend en wordt regelmatig aangehaald. Zij menen onder meer dat vrouwelijke non-executives vaker plaatsnemen in monitoringcommissies en dat zij vaker aanwezig zijn bij vergaderingen dan mannen. De aanwezigheid van mannen verbetert bovendien bij een meer genderdiverse board. Adams & Ferreira menen tegelijkertijd ook dat het causale verband tussen genderdiversiteit en een beter bedrijfsresultaat niet vast te stellen is. Deze onmogelijkheid heeft volgens hen tot gevolg dat bijvoorbeeld een quotum niet beargumenteerd moet worden met een beroep op de positieve invloed van genderdiversiteit op het bedrijfsresultaat.17
Na analyse van de vele onderzoeken naar de invloed van genderdiversiteit op de economische prestaties van de vennootschap kom ik tot de conclusie dat niet eenduidig een causaal verband vastgesteld kan worden tussen een meer genderdiverse board en een betere economische prestatie van de vennootschap. Dit betekent niet dat een meer genderdiverse board geen positieve invloed heeft op het functioneren van de vennootschap. De literatuur omtrent de functionele diversiteit is overtuigend, zoals de volgende paragraaf laat zien.