De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure
Einde inhoudsopgave
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.2.9:9.2.2.9 Motivering
De (onmiddellijke) voorzieningen van de enquêteprocedure (IVOR nr. 105) 2017/9.2.2.9
9.2.2.9 Motivering
Documentgegevens:
F. Eikelboom, datum 01-06-2017
- Datum
01-06-2017
- Auteur
F. Eikelboom
- JCDI
JCDI:ADS372118:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie onder meer Compendium 2013, p. 1778 en Geerts (Diss.), p. 280 en 281.
HR 4 oktober 2002, NJ 2002, 556 m.nt. Maeijer, JOR 2002/214 m.nt. Van den Ingh (Zwagerman II).
A.C. van Schaick, Asser Procesrecht 2 Eerste aanleg, Deventer: Kluwer 2011, nr. 97 onder verwijzing naar HR 7 april 1995, NJ 1997, 21 m.nt. Alkema (N/Mobius).
R.H. de Bock en E.J. Numann, Groene Serie Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), aant. 4 bij art. 230 Rv, Deventer: Kluwer 2008.
Art. 30 Rv.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de rechtspraak en literatuur is vrij weinig aandacht voor de vraag in welke mate de ondernemingskamer moet motiveren dat de door haar getroffen eindvoorzieningen proportioneel zijn. Algemeen wordt aangenomen dat uit de beschikkingen waarin eindvoorzieningen worden getroffen moet blijken waarom de getroffen voorzieningen passend en geboden zijn in het licht van het geconstateerde wanbeleid,1 hetgeen impliciet ook de proportionaliteit van de getroffen eindvoorzieningen lijkt te omvatten. Indien de ondernemingskamer andere eindvoorzieningen treft dan verzocht, dient – behoudens bijzondere omstandigheden – te worden gemotiveerd dat daartoe voldoende gronden bestaan.2 Een verdere uitwerking van de motiveringsvereisten ter zake van de proportionaliteit is mij niet bekend.
Het in de vorige paragrafen beschrevene doet wellicht vermoeden dat ik van mening zou zijn dat de keuze voor een bepaalde eindvoorziening uitvoerig zou moeten worden gemotiveerd. Er worden immers tal van factoren genoemd die een rol kunnen spelen in het kader van de proportionaliteitstoets. Mijns inziens behoeft echter de ondernemingskamer deze factoren niet ambtshalve allemaal (expliciet) te bespreken. Indien echter een partij een relevant en gemotiveerd verweer voert met als strekking dat het niet proportioneel is om zijn rechten aan te tasten en de ondernemingskamer het desbetreffende verweer verwerpt, dient minstens uit de beschikking van de ondernemingskamer zijn op te maken dat dit verweer onder ogen is gezien alsmede op welke grond het is verworpen.3 Dat geldt in het bijzonder indien wordt afgeweken van wettelijke of statutaire bepalingen die strekken tot voordeel van de partij die het proportionaliteitsverweer voert.4
Hetzelfde geldt, indien een partij op basis van relevante omstandigheden stelt dat de ondernemingskamer de gevolgen van een verzochte eindvoorziening zo zou moeten regelen dat de getroffen eindvoorzieningen meer proportioneel zijn. Anders is immers niet gemotiveerd op welke gronden aan het vereiste is voldaan dat de desbetreffende eindvoorzieningen passend en geboden zijn.5