Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/4.2.6.4.3.2.3
4.2.6.4.3.2.3 Recht van vruchtgebruik
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291432:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Art. 3:201 BW.
HR 29 mei 1985, nr. 22.739, BNB 1985/234.
T.J. Mellema-Kranenburg, T&C BW, commentaar op art. 3:202 BW, punt 4 (online, bijgewerkt t/m 15 februari 2021).
In de jaren 90 van de vorige eeuw is dit tijdelijk anders geweest. Destijds werden door met name woningcorporaties op grote schaal ‘vruchtgebruikconstructies’ toegepast om de btw-druk op woningen te verlagen (MvT, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, p. 9-10). Door de aanpassing van art. 3 lid 2 Wet OB per 31 maart 1995, 18.00 uur is aan deze constructies een halt toegeroepen.
A.A. van Velten, Privaatrechtelijke aspecten van onroerend goed (Ars Notariatus nr. 120), Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 613.
Toelichting op art. 5 lid 1 Voorstel voor een zesde richtlijn, V-N 1973/18A, p. 753.
In gelijke zin: M. Albers, Het beperkt zakelijk recht en enkele belastingen (diss.), Groningen: Rijksuniversiteit Groningen 2016, p. 58.
Hof ’s Gravenhage 25 november 1987, nr. 165/87, V-N 1988/1293, 27, Hof Arnhem 11 maart 1999, nr. 97/0405, V-N 1999/28.2.2, Hof Amsterdam 24 maart 2005, nr. 04/2518, V-N 2005/33.18.
HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I).
Uit HvJ EG 4 oktober 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, m.nt. Bijl (Stichting Goed Wonen I) zou opgemaakt kunnen worden dat die bevoegdheid kennelijk niet aan de kwalificatie van de vruchtgebruiker als huurder in de weg staat. Hierbij past echter de kanttekening dat A-G Jacobs in zijn conclusie van 22 februari 2001, zaak C-326/99, BNB 2002/396, punt 56 (Stichting Goed Wonen I) volstaat met de opmerking dat in veel rechtstelsels de overdracht van het recht van vruchtgebruik bij de wet is uitgesloten of dat daarvoor ten minste de toestemming van de eigenaar voor nodig is en nalaat te vermelden dat het Nederlandse rechtsstelsel op dit punt afwijkt. Ook uit het arrest blijkt niet dat het Hof van Justitie de vervreemdings- en bezwaringsbevoegdheid van de vruchtgebruiker heeft meegewogen. Dit arrest laat naar mijn mening dan ook ruimte voor de opvatting dat de vervreemdings- en bezwaringsbevoegdheid van de vruchtgebruiker weliswaar niet van doorslaggevend belang is, maar wel van belang kan zijn voor de vraag of de macht om als een eigenaar over het vastgoed te beschikken is overgedragen. Hierbij is naar mijn mening ook van belang of de vervreemdings- en bezwaringsbevoegdheid van de vruchtgebruiker feitelijk afwezig is. Onder de wetgeving die gold tot 31 maart 1995, 18.00 uur werden vruchtgebruikconstructies opgezet waarbij de vruchtgebruiker de bloot-eigenaar de last en volmacht gaf om alle (rechts)handelingen met betrekking tot het onderliggende onroerend goed te verrichten en de opdracht tot beheer door de vruchtgebruiker niet eenzijdig kon worden ingetrokken. In een dergelijk geval kan naar mijn mening niet gezegd worden dat de vruchtgebruiker feitelijk een vervreemdings- of bezwaringsbevoegdheid heeft.
HR 1 september 1999, nr. 34.505, BNB 1999/440, m.nt. Van Zadelhoff, HR 29 september 1999, nr. 34.774, FED 1999/739, m.nt. Braun, Hof Arnhem 27 januari 2000, nr. 98/1174, V-N 2000/27.25.
Hof ’s Gravenhage 25 november 1987, nr. 165/87, V-N 1988/1293,27, Hof Amsterdam 18 juni 1998, nr. 97/1397, V-N 1999/9.19, Hof Arnhem 11 maart 1999, nr. 97/0405, V-N 1999/28.2.2, HR 28 april 1999, nr. 33.482, BNB 1999/349, m.nt. Van Zadelhoff, HR 26 april 2000, nr. 35.336, BNB 2000/245, m.nt. Simons en Hof ’s Hertogenbosch 5 juli 2000, ECLI:NL:GHSHE:2000:AA6577.
Het recht van vruchtgebruik is het recht om een onroerend goed1 dat aan een ander toebehoort te gebruiken en daarvan de vruchten te genieten.2 Het recht van vruchtgebruik kan ook gevestigd worden op een gedeelte van een onroerend goed dat naar verkeersopvatting afzonderlijk overdraagbaar is.3 Het recht van vruchtgebruik kan tegen een vergoeding ineens of een periodieke vergoeding worden verleend.4 In de praktijk komt de vestiging van een recht van vruchtgebruik op een onroerend goed niet veel voor.5 Dit houdt verband met de omstandigheid dat de rechten van erfpacht en vruchtgebruik op elkaar lijken, maar het recht van vruchtgebruik als belangrijk nadeel heeft dat dat de duur niet langer kan zijn dan het leven van de vruchtgebruiker(s)6 en dat wanneer de vruchtgebruiker een rechtspersoon is het recht van vruchtgebruik na verloop van 30 jaar van rechtswege eindigt7.8
De vruchtgebruiker mag het onderliggende onroerend goed verhuren of verpachten, tenzij bij vestiging anders is bepaald.9 Daarnaast kan hij zijn recht van vruchtgebruik vervreemden of bezwaren, maar de duur van het recht van vruchtgebruik verandert hierdoor niet.10 De vruchtgebruiker is verplicht om het onroerend goed ten behoeve van de bloot-eigenaar te verzekeren tegen de gevaren waarvan het gebruikelijk is om daartegen een verzekering af te sluiten.11 Heeft het vruchtgebruik betrekking op een gebouw dan moet de vruchtgebruiker in ieder geval een brandverzekering afsluiten.12 Gewone lasten en herstellingen van het onroerend goed zijn voor rekening van de vruchtgebruiker, terwijl buitengewone herstellingen in beginsel voor rekening van de bloot-eigenaar zijn.13 Wanneer buitengewone herstellingen nodig zijn dan moet de vruchtgebruiker dit melden aan de bloot-eigenaar van het onroerend goed en hem de gelegenheid geven om dit herstel te verrichten, maar laatstgenoemde is hiertoe niet verplicht.14 De bestemming van het onderliggende onroerend goed mag de vruchtgebruiker niet wijzigen zonder toestemming van de bloot-eigenaar of machtiging van de kantonrechter.15
Uit de richtlijnhistorie volgt dat het recht van vruchtgebruik op een onroerend goed onder de reikwijdte van art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn kan vallen.16 Dat art. 3 lid 2 Wet OB ook betrekking heeft op het recht van vruchtgebruik is daarom toegestaan. De overdracht van het recht van vruchtgebruik mag op grond van het doel van art. 15 lid 2, onderdeel b jo. art. 14 lid 1 Btw-richtlijn alleen kwalificeren als de levering van het onderliggende vastgoed indien de vruchtgebruiker de macht verkrijgt om als een eigenaar over het onderliggende vastgoed te beschikken.17 Dit veronderstelt dat de vruchtgebruiker ‘eigenaarsbevoegdheden’ verkrijgt die de bevoegdheden van een huurder te boven gaan. Dat is bij een recht van vruchtgebruik geen vanzelfsprekendheid. De Hoge Raad heeft in een inkomstenbelastingzaak geoordeeld dat het tegen een vergoeding ineens vestigen van een tijdelijk recht van vruchtgebruik feitelijk en maatschappelijk veelal een grote gelijkenis vertoont met verhuur. Dit is naar het oordeel van de Hoge Raad anders indien tegen een vergoeding ineens een recht van vruchtgebruik is gevestigd ten behoeve van een rechtspersoon voor de maximumduur van 30 jaar.18 Het ligt in de rede dat naar het oordeel van de Hoge Raad hetzelfde geldt voor een recht van vruchtgebruik ten behoeve van één of meer natuurlijke personen dat afhankelijk is van het leven van de vruchtgebruiker(s). Ook uit het Stichting Goed Wonen I-arrest19, waarin de vestiging van een tienjarig recht van vruchtgebruik op een aantal nieuwbouwwoningen tegen vergoeding door het Hof van Justitie voor de btw als verhuur is aangemerkt, is af te leiden dat het aanmerken van de vruchtgebruiker als economisch eigenaar geen vanzelfsprekendheid is.
Uit deze jurisprudentie zou afgeleid kunnen worden dat het tegen een vergoeding ineens vestigen van een recht van vruchtgebruik voor de maximale duur een aanwijzing is dat de vruchtgebruiker voor de btw als economisch eigenaar kwalificeert, terwijl het tegen een vergoeding ineens vestigen van een recht van vruchtgebruik van korte(re) duur een aanwijzing is voor het tegendeel. Ook de bevoegdheid om het recht van vruchtgebruik te vervreemden of te bezwaren dan wel het feitelijk ontbreken daarvan is naar mijn mening een aanwijzing of de vruchtgebruiker al dan niet de economisch eigenaar is.20 Datzelfde geldt voor (het ontbreken van) de bevoegdheid van de vruchtgebruiker om het onroerend goed te verhuren of te verpachten.
Op grond van het voorgaande is het naar mijn mening niet richtlijnconform dat de vestiging van een (tijdelijk) recht van vruchtgebruik onder vigeur van de wetgeving die gold van 1 januari 1979 tot 31 maart 1995, 18.00 uur in de nationale jurisprudentie steeds – behoudens indien de vestiging van het recht van vruchtgebruik onderdeel uitmaakte van een overgang van een algemeenheid van goederen21 – als de levering van een goed is aangemerkt.22 Door de vergoedingsvoorwaarde (zie paragraaf 4.2.6.4.3.3) in art. 3 lid 2 Wet OB sinds voormelde datum lijkt een kwalificatie van de overdracht van het recht van vruchtgebruik als levering in strijd met art. 15 lid 2, onderdeel b jo. art. 14 Btw-richtlijn uitgesloten. Dit laat onverlet dat het op grond van de (interne) concurrentieneutraliteit, het doel van art. 15 lid 2, onderdeel b Btw-richtlijn, onwenselijk is om een recht van vruchtgebruik dat voor de maximale duur is gevestigd (tegen een vergoeding ineens), waarbij de vruchtgebruiker dit recht mag vervreemden en de vruchtgebruiker het onroerend goed mag verhuren of verpachten als een dienst aan te merken.