Het nationale budgetrecht en Europese integratie
Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.3.1:6.9.3.1 Tussenconclusie
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/6.9.3.1
6.9.3.1 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS455272:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Ondanks al deze kritiekpunten, die stuk voor stuk in een later stadium zeer belangrijk zijn gebleken bij de praktische uitwerking van de EMU, stemde het parlement zoals gezegd met een grote meerderheid in met het Verdrag van Maastricht. Een van de redenen hiervoor is bij de parlementaire behandeling van het verdrag mooi verwoord door toenmalig minister van Financiën Kok:
‘De heren Van Middelkoop, Van Dis en Leerling hebben in verschillende bewoordingen, maar vanuit een begrijpelijke en zeer goed herkenbare invalshoek heel kritische en principiële vragen gesteld en bezwaren geuit ter zake van het fenomeen van de Economische en Monetaire Unie zelve. […] Zij betwijfelen […] het nut van vaste wisselkoersen in het model van de Economische en Monetaire Unie. Zij betrekken de stelling dat Nederland nu zo verbonden en verklonken is met Duitsland, juist op monetair terrein, met een vrijwel onverbrekelijke wisselkoersrelatie. Wij weten dus wel wat wij in die verhouding hebben, maar wij weten niet wat wij daar aan stevigheid voor in de plaats krijgen, als wij van dat Duits-Nederlandse model met een aantal landen in de D-mark-zone daaromheen overstappen naar de EMU. Ik kijk daar, zoals bekend, wezenlijk anders tegenaan. Ik meen namelijk [...] dat het van werkelijk grote betekenis is om […] van een afhankelijkheid ten opzichte van het Duitse rentebeleid en monetaire beleid in een bredere Europese context te kunnen overschakelen naar een monetair beleid en een rentebeleid, waarbij wij samen zeggenschap hebben over en invloed krijgen op datgene wat op dat terrein in het nieuwe Europa wordt beslist.’1
Volgens Kok is een Europees monetair beleid dus beter dan een nationaal monetair beleid, omdat Nederland juist op die manier een grotere rol speelt bij het bepalen van de richting van het beleid. Door de verbondenheid van de Duitse en Nederlandse valuta was de speelruimte voor het nationale monetaire beleid vóór de totstandkoming van een Europese gemeenschappelijke munt zeer beperkt. Volgens Kok zou er meer aandacht komen voor het Nederlandse belang door het monetair beleid op Europees niveau te regelen.
Direct daarop volgde de vraag of het dan ook op lange termijn voorstelbaar was dat ook het economische beleid naar Europese niveau zou verschuiven. Daarop antwoordde Kok:
‘Ja, dat kan ik mij goed voorstellen. Dat stelt echter wel bepaalde eisen aan de manier, waarop wij met elkaar bereid en in staat zijn om een zekere coördinatie op hoofdlijnen tot stand te brengen. Dat is volgens mij namelijk zonder meer noodzakelijk. Ik denk dat het model van de centrale “M” en de volstrekt decentrale “E”, dus het zelf in de lidstaten inhoud geven aan het economisch beleid en het begrotingsbeleid, alleen maar kan functioneren, als er in toenemende mate een bereidheid bestaat om in samenhang met de gecentraliseerde monetaire beleidsvorming ook een gecoördineerde en afgestemde positie in te nemen over de hoofdlijnen van beleid op het punt van de economische politiek en de begrotingspolitiek.’2
Alle lidstaten dienden volgens Kok dus vanaf dat moment hun economische beleid op elkaar af te stemmen, en hij achtte het denkbaar dat dit beleid op lange termijn op Europees niveau zou worden bepaald.
Deze uitspraken raken aan de eerder geschetste, jarenlange discussie tussen de zogeheten economisten en de monetaristen.3 Economisten, waaronder Nederland, stelden zich op het standpunt dat eerst convergentie van economisch beleid en van de economische posities van de verschillende lidstaten diende plaats te vinden, voordat een gemeenschappelijke valuta in beeld kon komen. Monetaristen daarentegen wilden graag zo snel mogelijk een monetaire unie, waarna economische integratie als vanzelf zou volgen. De stellingnames van Kok laten zien dat ten tijde van het Verdrag van Maastricht al werd gedacht dat Europees monetair beleid in wezen niet zonder Europees economisch beleid kan. De eurocrisis heeft mijns inziens laten zien dat de economisten het bij het juiste eind hadden. De economische posities van de verschillende lidstaten liepen ten tijde van de crisis immers zeer ver uiteen, wat het voeren van een gemeenschappelijk monetair beleid zeer lastig maakte. In de praktijk lijkt echter de gedachtegang van de monetaristen steeds meer werkelijkheid te worden, nu naar aanleiding van de crisis steeds meer Europese maatregelen zijn genomen die de coördinatie van het economisch beleid moeten verstevigen, waar de volgende hoofdstukken nader op ingaan.