Einde inhoudsopgave
Afspraken en Aanspraken (SteR nr. 57) 2023/7.2.0
7.2.0 Introductie
N. van Triet, datum 23-12-2022
- Datum
23-12-2022
- Auteur
N. van Triet
- JCDI
JCDI:ADS685481:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Par. 2.4.
Poelmann, in: Cursus Belastingrecht 2020/FBR 4.1.0.B.
Par. 2.4.
Conclusie A-G Wattel over het vertrouwensbeginsel in het omgevingsrecht, bijlage 2, onder 2.1. Zie genuanceerder Cramwinckel 2022, par. 4.2.3.3.
HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AX3264, BNB 1978/135, ECLI:NL:HR:1978:AC2432, BNB 1978/136, ECLI:NL:HR:1978:AM4447, BNB 1978/137. Zie uitgebreid Van Kreveld 2016, p. 61-80. In de niet-fiscale jurisprudentie wordt wel eens een beroep gedaan op de fiscale rechtspraak: ABRvS 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:302, rov. 3.
HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, BNB 1979/311.
Happé 1997 en bijvoorbeeld Gorissen 2008; Gorissen 2009 en Geppaart 1985, p. 469-471.
HR 12 april 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC2432, NJ 1979/533 (Doorbraakarresten). Zie hierover Cramwinckel & Van Triet 2016; Happé 1996, deel 2 en Poelmann, in: Cursus Belastingrecht 2020/FBR, hoofdstuk 4.
Zie voor overige vertrouwenwekkende handelingen in het fiscale recht Gorissen 2008, par. 2.9. Zie ook conclusie A-G IJzerman 2 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:316, onder 6.4-6.11 met verwijzingen aldaar. Er is geen passend fiscaal vergelijkingsequivalent voor bevoegdhedenovereenkomsten gelet op de gebonden bevoegdheden in het fiscaal recht.
Zie bijv. Hof ’s-Hertogenbosch 20 maart 2002, ECLI:NL:GHSHE:2001:AB1030, V-N 2002/10.1.10.
Zie Hof Amsterdam 16 december 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BO9133, NTFR 2011/212, rov. 4.5-4.7. Zie ook conclusie A-G IJzerman 2 april 2020, ECLI:NL:PHR:2020:316, onder 6.5: “Het is daarom van belang om de handeling waaraan belanghebbende meent vertrouwen te kunnen ontlenen juridisch te duiden. Op basis daarvan kan vervolgens, op basis van de jurisprudentie van de Hoge Raad, worden bezien of voldaan is aan de relevante criteria.”
HR 26 september 1979, ECLI:NL:HR:1979:AM4918, AB 1980/210 en HR 19 december 1990, ECLI:NL:HR:1990:ZC4483, BNB 1991/77.
Het fiscale recht hanteert – net als de rest van het bestuursrecht1 – een onderscheid tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Op basis van het rechtszekerheidsbeginsel moet het objectieve recht kenbaar en duidelijk zijn en worden nageleefd. Bij het vertrouwensbeginsel gaat het om de bescherming van gerechtvaardigde (subjectieve) verwachtingen van de burger over toekomstig handelen van de overheid2 De achterliggende gedachte van het vertrouwensbeginsel is dus dezelfde als in het reguliere bestuursrecht3, hetgeen de mogelijkheid van het transponeren van ideeën uit het fiscale recht naar het niet-fiscale recht onderstreept.
In het fiscale recht is een contra-legemtoepassing van het vertrouwensbeginsel – die gelet op de gebonden bevoegdheden in het belastingrecht vrijwel steeds aan de orde is bij honorering van een beroep op het vertrouwensbeginsel4 – sinds de Doorbraak-arresten5 geaccepteerd. Waar in het reguliere bestuursrecht verschillende belangen tegenover het belang op honorering van gerechtvaardigd vertrouwen kunnen bestaan en de bestuursrechter die door het bestuursorgaan gemaakte belangenafweging toetst, moet de fiscale rechter een andere afweging maken. De Hoge Raad heeft een afwegingskader ontwikkeld dat uitgaat van een botsing tussen het vertrouwensbeginsel en het legaliteitsbeginsel, waarbij de vraag moet worden beantwoord of
“strikte toepassing van de wet in die mate in strijd komt met het beginsel dat de administratie verwachtingen honoreert, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft gewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, dat die toepassing achterwege dient te blijven;
Dat deze vraag moet worden beantwoord door afweging van het beginsel, dat de wet moet worden toegepast, tegen evenbedoeld algemeen beginsel van behoorlijk bestuur;”6
Vervolgens heeft de fiscale rechtspraak een duidelijk kader ontwikkeld voor de beoordeling in welk geval aan welk beginsel voorrang moet worden verleend.7
In tegenstelling tot het reguliere bestuursrecht kent het belastingrecht een vertrouwensleer waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen (i) verschillende vormen van vertrouwenwekkende uitlatingen en (ii) daarbij behorende voorwaarden voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel.8 Voor dit onderzoek zijn de volgende hoofdcategorieën van uitlatingen die de Hoge Raad onderscheidt van belang: algemene voorlichting, individuele inlichtingen en toezeggingen.9 De belastingrechter beoordeelt bij een beroep op het vertrouwensbeginsel hoe de betrokken uitlating juridisch moet worden geduid (bijvoorbeeld als inlichting of toezegging)10 en vervolgens toetst hij aan de bij die categorie behorende voorwaarden.11 Dit is een duidelijk verschil met het in het vorige hoofdstuk behandelde bestuursrecht waar in alle gevallen het stappenplan van de Dakterras-uitspraak wordt toegepast.
In het navolgende bespreek ik de voorwaarden voor een succesvol beroep op het vertrouwensbeginsel in geval van algemene voorlichting en inlichtingen (paragraaf 7.2.1) en toezeggingen (paragraaf 7.2.2).
Het verschil tussen algemene voorlichting en inlichtingen is vergelijkbaar met het in het vierde hoofdstuk gemaakte onderscheid tussen algemene inlichtingen en individuele inlichtingen voor het reguliere bestuursrecht.
Daaruit zal blijken dat de terughoudendheid bij het honoreren van een beroep op het vertrouwensbeginsel slechts geldt bij voorlichting en inlichtingen. Op toezeggingen mag, gelet op de voor die uitlating geldende voorwaarden voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel, in beginsel worden vertrouwd.12