Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW
Einde inhoudsopgave
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.6:5.8.8.6 Dwingende volgorde van artikel 2:404 lid 3 BW is star maar wel het meest duidelijk
Toepassing en rechtskarakter van de groepsvrijstelling van artikel 2:403 BW (VDHI nr. 171) 2022/5.8.8.6
5.8.8.6 Dwingende volgorde van artikel 2:404 lid 3 BW is star maar wel het meest duidelijk
Documentgegevens:
mr. dr. J. van der Kraan, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
mr. dr. J. van der Kraan
- JCDI
JCDI:ADS648826:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 5.8.8.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het lijkt het meest aannemelijk dat de volgorde waarin aan de voorwaarden van artikel 2:404 lid 3 BW dient te worden voldaan niet dwingend is.1 Naar mijn idee levert de dwingende volgorde echter wel een systeem op waarmee de rechtszekerheid het best is gediend. Het praktische voordeel dat wordt behaald met het toestaan van een andere volgorde weegt naar mijn idee niet op tegen de onduidelijkheid die daarmee wordt gecreëerd.
Wordt aangenomen dat de volgorde dwingend is, dan zit een moedervennootschap die haar (voorheen) vrijgestelde dochter verkoopt wel nog zeker twee maanden in onzekerheid. Resterende claims van schuldeisers van de uitgevaren dochter kunnen nog steeds op haar bordje terechtkomen. Is sprake van een verkoop van de dochter dan zou in de overeenkomst tot verkoop van de aandelen een vrijwaring opgenomen kunnen worden, inhoudende dat de koper van de aandelen de moeder vrijwaart van claims die nog tegen haar kunnen worden ingesteld op basis van de ingetrokken 403-verklaring.