Einde inhoudsopgave
De ex-werknemer (MSR nr. 83) 2023/6.5.4
6.5.4 Het pensioenfonds als instelling van de onderneming
Vincent Gerlach, datum 10-11-2022
- Datum
10-11-2022
- Auteur
Vincent Gerlach
- JCDI
JCDI:ADS687288:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 299; E. Lutjens, Pensioenvoorzieningen voor werknemers, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1989, p. 190 en p. 388; G.R. Boshuizen, ‘Bestuurssamenstelling van pensioenfondsen’, P&P 1996/4, p. 9.
De richtlijnen worden geciteerd in H.G. Hagelen, ‘De samenstelling van het bestuur van een ondernemingspensioenfonds’, Vb 1953, p. 225: ‘Voorts kan nog gedacht worden aan de mogelijkheid dat een ondernemingsraad zelf als bestuur van het fonds optreedt of de vertegenwoordigers aanwijst’.
P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 298-299, vond een dergelijke benoemingswijze een in beginsel geoorloofde wijze van getrapte verkiezingen. Hij merkte wel op dat een ontheffing benodigd was als de kiesgerechtigden van de OR niet samenvielen met de deelnemers van het pensioenfonds – bijvoorbeeld omdat werknemers te kort werkzaam waren in de onderneming en niet de OR mochten kiezen (artikel 6 lid 2 WOR), maar wel deelnamen in het pensioenfonds. Lutjens meende echter dat benoeming door de OR niet kon, omdat werknemers en OR niet kunnen worden vereenzelvigd: E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 89, onder verwijzing naar Afd. rechtspraak RvS 29 november 1993, AB 1995/83, m.nt. A.F.M. Brenninkmeijer (Federatief Pensioenfonds/Staatssecretaris SZW).
P.M. Tulfer, Pensioenen, fondsen en verzekeraars, Deventer: Kluwer 1997, p. 299-300; E. Lutjens, De PSW: Wetshistorisch overzicht en commentaar, Deventer: Kluwer 1998, p. 89; G.R. Boshuizen, ‘Bestuurssamenstelling van pensioenfondsen’, P&P 1996/4, p. 12.
SER-advies van 15 mei 1992, Knelpunten wet op de ondernemingsraden, nummer 1992/07, p. 67-69.
Handelingen II 3 juni 1997, 87-6041.
SER-advies van 18 mei 2001, Nieuwe Pensioenwet, nummer 2001/06, p. 127; Kamerstukken II 2001/02, 28294, nr. 1, p. 21-22.
De OR kan de bevoegdheid worden toegekend werknemersvertegenwoordigers binnen een ondernemingspensioenfonds voor te dragen, aldus artikel 102 lid 3 Pw. Dat is echter lang niet altijd het geval. Daarmee wijkt de systematiek van de Pw af van de benoemingsrechten van de OR onder de WOR. Daar kent artikel 29 WOR het recht toe aan de OR een door te ondernemer te bepalen aantal, maar ten minste de helft, te benoemen van de bestuursleden van door de ondernemer ten behoeve van de in de onderneming werkzame personen opgerichte instellingen. Dat recht is echter niet van toepassing indien bij of op grond van de wet op andere wijze in het bestuur van een instelling is voorzien. De voorzieningen ten aanzien van het pensioenfondsbestuur in de Pw, en voorheen de PSW, worden algemeen beschouwd als een dergelijke uitzondering op artikel 29 WOR.1
De PSW voorzag niet in de mogelijkheid van benoeming van werknemersvertegenwoordigers door de OR. De mogelijkheid werd wel geopperd in richtlijnen van de STAR van begin jaren vijftig van de vorige eeuw.2 Of een dergelijke benoemingswijze mocht, was omstreden.3 Tegelijk bestond er consensus dat benoeming van werknemersvertegenwoordigers door de deelnemersraad of gepensioneerden niet mogelijk was, onder meer vanwege de verwatering van de invloed van de werknemers (zie verder paragraaf 6.6.2).4 Uit de wetsgeschiedenis van de wet Vertegenwoordiging gepensioneerden in pensioenfondsbesturen leek overigens nog te volgen dat dit wel mogelijk zou moeten zijn.5
In het SER-advies uit 1992 over de knelpunten in de WOR6 was de SER verdeeld over de verhouding van artikel 29 WOR ten opzichte van de PSW. Een deel van de SER sprak zich ervoor uit dat artikel 29 WOR onverkort zou moeten gelden bij ondernemingspensioenfondsen, een ander deel achtte dit niet wenselijk gelet op de wens om via de deelnemersraad ‘andere groeperingen dan de nog in dienst zijnde werknemers’ de mogelijkheid te bieden een eigen vertegenwoordiger aan te wijzen als werknemersbestuurslid. In de Tweede Kamer was in dat kader al geconstateerd dat benoeming van gepensioneerden in ondernemingspensioenfondsbesturen niet kon plaatsvinden via de OR, aangezien gepensioneerden niet kunnen toetreden tot de OR.7 In het enkele jaren later ingediende wetsvoorstel keerde het standpunt van de SER in het geheel niet terug,8 aangezien de regering geen onduidelijkheden zag in de verhouding tussen artikel 29 WOR en de PSW.9 Niet iedereen was dit met de regering eens. Het tijdens het wetgevingstraject ingediende amendement Middel beoogde de PSW af te stemmen op artikel 29 WOR en benoeming van werknemersvertegenwoordigers te laten plaatsvinden door de OR, tenzij de statuten van het pensioenfonds bepaalden dat benoeming diende te geschieden door de deelnemersraad.10 De regering gaf daarop aan het niet onredelijk te vinden om de OR in staat te stellen de helft van de bestuursleden te benoemen, en dat dit in de praktijk ook wel voorkwam, maar een wettelijke regeling te willen betrekken bij een herziening van de PSW.11 Het amendement werd daarop ingetrokken.12
In het advies van de SER over de Nieuwe Pensioenwet uit 2001 stemde deze in met het voornemen van de wetgever om in de wet vast te leggen wat de benoemingsmogelijkheden zijn van het pensioenfondsbestuur, mede gelet op de onduidelijkheid onder de PSW of getrapte verkiezing via de OR of via de deelnemersraad wel mogelijk was.13 De Pw ging de mogelijkheid bieden dat werknemersvertegenwoordigers van het ondernemingspensioenfonds werden gekozen door verkiezing via de deelnemers, op voordracht van de vertegenwoordigers van de deelnemers in de deelnemersraad, op voordracht van de OR of op een andere wijze, mits de OR daarmee had ingestemd. Volgens de memorie van toelichting was deze laatste optie onder meer bedoeld om alle leden van de deelnemersraad, dus actieve deelnemers én gepensioneerden, in staat te stellen hun stem uit te laten brengen op de werknemersvertegenwoordigers. De instemming van de OR werd dan geacht te waarborgen dat de actieve werknemers achter deze wijze van benoemen stonden.14 Het later verworpen amendement Bakker beoogde overigens nog de rol van de OR bij benoeming onmogelijk te maken, gelet op het feit dat de OR geen orgaan van het pensioenfonds is.15 De Wet versterking bestuur pensioenfondsen leidde verder niet tot inhoudelijke wijzigingen, zij het dat de mogelijke betrokkenheid van de OR is beperkt tot paritair samengestelde pensioenfondsen.16