Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/8.2.3:8.2.3 Verstrekken van middelen aan een stichting werknemers
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/8.2.3
8.2.3 Verstrekken van middelen aan een stichting werknemers
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS345820:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Hof Amsterdam (OK) 8 maart 2001, NJ 2001/224; JOR 2001/55 m.nt. Brink (Gucci).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien de vennootschap een lening verstrekt aan werknemers in dienst van de vennootschap of een dochtermaatschappij om aan hun uit te geven (certificaten van) aandelen in de vennootschap vol te storten, zijn de voorwaarden van art. 2:98c BW niet van toepassing. In het verleden is door Gucci van deze vrijstelling gebruikgemaakt. Voor de nv gold toen nog een absoluut financieel steunverbod, behalve voor zover het een lening betrof aan werknemers in dienst van de nv en/of haar groepsmaatschappijen. Om de niet-gewenste zeggenschap van LVMH in Gucci te voorkomen, verleende Gucci optierechten aan de Stichting Belangen Werknemers tot het nominale bedrag van de aandelen die LVMH in Gucci had opgebouwd. De (certificaten van) aandelen die vervolgens door Gucci werden uitgegeven aan de werknemers, werden gefinancierd met een lening van Gucci. De OK oordeelde in het kader van een enquêteprocedure dat deze constructie op gespannen voet stond met het bepaalde in de art. 2:98b en 2:98c BW, met name omdat het financiële belang van de werknemers bij de door de stichting gehouden aandelen in geen enkele aanvaardbare verhouding stond tot de waarde van de gefinancierde aandelen zelf. De omstandigheden waaronder en de wijze waarop het werknemersaandelenplan (ESOP) werd ingesteld, maakten duidelijk dat het ESOP niet was bedoeld als een regeling die het deelnemen van werknemers in het kapitaal van de vennootschap in wier dienst zij zijn aanmoedigt en faciliteert – zoals het uitgangspunt is van het bepaalde in art. 2:98c (toen nog) lid 2 BW –, maar als een middel om de zeggenschap van LVMH te neutraliseren, aldus de OK.1
Deze uitspraak maakt duidelijk dat terughoudend moet worden omgegaan met een constructie waarbij het financiële belang van werknemers bij optierechten is beperkt tot een gering percentage van de beurswaarde van de vennootschap. De uitgifte van beschermingsprefs aan een werknemersstichting waarbij in de regel 25% van het totale nominale bedrag wordt gestort, zal in het licht van deze uitspraak snel op gespannen voet staan met het bepaalde in art. 2:98c BW en lijkt om die reden een minder begaanbare weg.