Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen
Einde inhoudsopgave
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/3.7:3.7 Samenvatting en conclusie
Bescherming van beursvennootschappen door uitgifte van preferente aandelen (VDHI nr. 147) 2018/3.7
3.7 Samenvatting en conclusie
Documentgegevens:
mr. R.A.F. Timmermans, datum 01-10-2017
- Datum
01-10-2017
- Auteur
mr. R.A.F. Timmermans
- JCDI
JCDI:ADS349454:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het vennootschapsbestuur bepaalt onder toezicht van de raad van commissarissen het beleid en stelt de strategie vast. Daarbij geldt dat deze vennootschapsorganen zich moeten richten naar het vennootschappelijk belang. In de literatuur bestaat discussie omtrent de vraag wat dat belang precies inhoudt. De verschillende opvattingen leiden echter niet tot verschillende resultaten. Duidelijk is dat de omstandigheden van het geval een belangrijke rol spelen. De Hoge Raad heeft in zijn Cancun-beschikking vastgesteld dat het vennootschapsbelang bij een vennoot schap waaraan een onderneming is verbonden in de regel vooral bepaald wordt door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming, waarbij geldt dat het bestuur zorgvuldigheid moet betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. Met de NCGC 2016 in gedachten, zal het vennootschapsbestuur steeds de belangen van de verschillende stakeholders moeten afwegen, welke belangenafweging gericht zal zijn op de continuïteit van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. Duurzame waardecreatie ten behoeve van alle stakeholders staat voorop.
In oorlogstijd komt de behartiging van het vennootschappelijk belang onder druk te staan. Onder oorlogstijd schaar ik de situatie van een vijandig bod of een ongewenste concentratie van stemmenmacht. Aandeelhouders zullen in beginsel hun eigenbelangen mogen nastreven en kunnen daarbij aandringen op een koerswijziging of overname van de vennootschap. Indien de vennootschapsleiding geen gehoor geeft aan de wensen van de aandeelhouders, kunnen de aandeelhouders proberen om de bestuurders te ontslaan of op een andere wijze druk proberen uit te oefenen, zoals het stelselmatig weigeren een bestuurder of commissaris te benoemen. In die situatie kunnen beschermingsmaatregelen van nut zijn. Deze stellen het bestuur in staat om zijn beleid en strategie uit te voeren, zulks in het belang van de vennootschap en de daarmee verbonden stakeholders. In het Nederlandse vennootschapsmodel bepaalt het bestuur onder toezicht van de raad van commissarissen het beleid en de strategie en geldt als uitgangspunt dat het bestuur zonder goedkeuring van de algemene vergadering een openbaar bod kan frustreren. Daar past niet bij dat het bestuur in oorlogstijd buiten spel gezet wordt.
De implementatie van beschermingsmaatregelen vergt een samenspel van bestuur en algemene vergadering. De beslissing omtrent het daadwerkelijk treffen, handhaven en beëindigen van een eenmaal geïmplementeerde beschermingsmaatregel, ligt bij het bestuur onder toezicht van de raad van commissarissen. Uit de RNA- beschikking volgt dat vennootschappen beschermingsprefs kunnen uitgeven indien de continuïteit van (het beleid van) de vennootschap en de belangen van degenen die daarbij zijn betrokken dreigt te worden aangetast. Daarnaast kan de uitgifte van beschermingsprefs een instrument zijn om (voldoende) overleg tussen de vennootschapsleiding en de overnemer te bewerkstelligen. De vennootschap kan niet te pas en te onpas beschermingsprefs uitgeven. Het vennootschappelijk belang moet in het geding zijn en de uitgifte moet bovendien een adequate en proportionele reactie zijn op het (dreigende) gevaar. Bij de beantwoording van de vraag of de uitgifte van beschermingsprefs geschikt en proportioneel is, gaat het vooral om de aard van de bedreiging en op welke wijze de bedreiging op passende wijze het hoofd geboden kan worden. De uitgifte van beschermingsprefs is een geschikt middel om de vennootschap te beschermen tegen een vijandig bod. Het middel kan ook goed van pas komen indien besluitvorming door de algemene vergadering bewerkstelligd of voorkomen moet worden. De feitelijke situatie speelt een grote rol bij de vraag welke beschermingsmaatregel geschikt en proportioneel wordt geacht.
Het abstracte algemeen belang behoort niet tot het richtsnoer waarnaar bestuur en raad van commissarissen zich moeten richten. Dat neemt niet weg dat vanwege de aard en omvang van de onderneming, belangen van specifieke maatschappelijke stakeholders onderdeel worden van het vennootschappelijk belang. De belangen van deze stakeholders komen bij zo’n onderneming meer centraal te staan bij de belangenafweging die moet plaatsvinden in het kader van de toetsing aan het vennootschappelijk belang. Deze belangen kunnen bovendien worden benadrukt door deze specifiek in de doelomschrijving van de vennootschap en beschermingsstichting te benoemen en in de vennootschapsstatuten toe te voegen aan de norm waarnaar het bestuur en de raad van commissarissen zich moeten richten, waarmee wordt onderstreept dat de vennootschapsorganen deze belangen mede tot hun richtsnoer zullen moeten nemen.
Publieke belangen zouden primair door wet- en regelgeving moeten worden gewaarborgd, zeker als het om complexe publieke belangen gaat, waarvan het twijfelachtig kan zijn of een vennootschaps- of stichtingsbestuur deze belangen kan behartigen. Privaatrechtelijke beschermingsmiddelen kunnen daarbij aanvullende bescherming geven. Zijn algemene belangen onderdeel van het vennootschappelijk belang, dan kunnen deze belangen met een uitgifte van beschermingsprefs – al dan niet aanvullend op het publiekrechtelijke instrumentarium – worden beschermd. Dat heeft vooral nut bij vennootschappen waar publieke belangen centraal staan, maar waarvoor nog geen beschermende wet- en regelgeving geldt of bij financiële ondernemingen waar de reikwijdte van de publiekrechtelijke maatregelen beperkt is. Omdat de Staat als houder van een controlerend belang in gedeeltelijk geprivatiseerde vennootschappen en het publiekrechtelijk instrumentarium niet afdoende zijn voor de borging van het klassieke vennootschappelijk belang, kan aanvullende bescherming in de vorm van beschermingsprefs bij die vennootschappen wenselijk zijn.