Einde inhoudsopgave
De invloed van de woonplaats op de fiscale behandeling (FM nr. 158) 2019/9.3.3
9.3.3 Samenhang van belastingstelsels: tarief en aftrekposten
Mr. dr. N.P. Schipper, datum 01-08-2019
- Datum
01-08-2019
- Auteur
Mr. dr. N.P. Schipper
- JCDI
JCDI:ADS381367:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Woon- en vestigingsplaats
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Inkomstenbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Europese verdragsvrijheden
Europees belastingrecht / Discriminatie
Voetnoten
Voetnoten
Oftewel: niet is vrijgesteld ter voorkoming van dubbele belasting. In situaties waarin een verrekeningsmethode ter voorkoming van dubbele belasting geldt, kan een vergelijkbaar nadeel ontstaan (gelet op de tweede limiet ter bepaling van de maximaal verrekenbare buitenlandse belasting). Er zou bij toepassing van de verrekeningsmethode uiteraard geen nadeel ontstaan indien de buitenlandse belasting nog altijd volledig kan worden verrekend in de woonstaat.
Dit overeenkomstig HvJ EG 5 juli 2005, zaak C-376/03 (D.), r.o. 37-41.
Er zijn in 2018 verschillende lidstaten in Oost-Europa die een laag (vlak) inkomstenbelastingtarief hanteren, waaronder Bulgarije (10%), Roemenië (10%), Hongarije (15%) en Slowakije (19%-25%). Bron: Country Surveys & Country Analyses, International Bureau of Fiscal Documentation (IBFD) (beschikbaar via www.ibfd.org, geraadpleegd op 8 oktober 2018). Er zijn grote aantallen werknemers uit deze landen werkzaam in West-Europese lidstaten. Zie European Commission (2018), 2017 Annual Report on intra-EU Labour Mobility, final report, p. 85 en 234-235 (tabel 64).
P.J. Wattel, ‘Progressive taxation of non-residents and intra-EC allocation of personal tax allowances: Why Schumacker, Asscher, Gilly and Gschwind do not suffice’, European Taxation 2000/6, p. 210-223, p. 222. Zie ook N. Mattsson, ‘Does the European Court of Justice Understand the Policy behind Tax Benefits Based on Personal and Family Circumstances?’, European Taxation 2003/6, p. 186-194, p. 193 die stelt dat ‘tax benefits based on personal and family circumstances almost constitute an element of the ordinary tax rate’.
Zie hierover ook F. Vanistendael, ‘Ability to Pay in European Community Law’, EC Tax Review 2014/3, p. 121-134, p. 134 die bepleit dat het Hof zijn ‘one state approach’ uit de Schumacker-rechtspraak verlaat, aangezien dit vanuit het oogpunt van belastingheffing naar draagkracht leidt tot onbevredigende uitkomsten.
Zie ook R. Griffith, J. Hines & P.B. Sørensen, ‘International Capital Taxation’ in: Mirrlees Review, Reforming the Tax System for the 21st Century, Londen: Institute for Fiscal Studies2008, p. 914-1027, p. 932. Een voorbeeld hiervan in Nederland is de koppeling tussen enerzijds de geleidelijke verlaging van de inkomstenbelastingtarieven en anderzijds de beperking van de hypotheekrenteaftrek voor de eigen woning (introductie aflossingseis en stapsgewijze afbouw maximaal fiscaal voordeel met 0,5% per jaar). Zie MvT, Kamerstukken II 2013/14, 33 756, nr. 3, p. 22 (met verdere verwijzingen). In Belastingplan 2019 is deze beperking van de hypotheekrenteaftrek versneld en tevens uitgebreid tot andere aftrekposten. Zie MvT, Kamerstukken II 2018/19, 35 026, nr. 3, p. 8-9.
Berekeningsmethode conform het De Groot-arrest (i.e. aftrekposten volledig toegerekend aan het binnenlandse inkomen; dit door de aftrekposten in mindering te brengen op de noemer van de voorkomingsbreuk). Het Hof van Justitie bevestigde deze methode in HvJ EU 23 februari 2013, zaak C-168/11 (Beker), r.o. 60. In HR 7 mei 2004, 34 782, ECLI:NL:HR:2004:AO9018, BNB 2004/261 had de Hoge Raad reeds deze lijn gevolgd.
Zie bijvoorbeeld HvJ EG 12 december 2002, zaak C-385/00 (De Groot), r.o. 89-90 en HvJ EU 23 februari 2013, zaak C-168/11 (Beker), r.o. 43-44.
Hierdoor wordt het inkomen van X tegen hetzelfde effectieve tarief belast als een inwoner van de werkstaat (38,25%).
Dit verschil wordt veroorzaakt door het feit dat het effectieve voordeel van de belastingvrije som in staat A € 1.750 bedraagt (€ 4.375 × 40%), terwijl deze basisaftrek in staat B een belastingverlaging van € 4.250 oplevert (€ 10.000 × 42,5%).
Dit is de som van de belasting (inkomen × effectief tarief) in staten A en B (i.e. € 19.125 in beide staten).
Vergelijk de redenering van het Hof in HvJ EG 12 mei 1998, zaak C-336/96 (Gilly), r.o. 49-50.
De heffingskorting bedraagt maximaal de verschuldigde belasting.
Er bestaat mogelijk wel indirecte impact voor inwoners, namelijk indien zij buitenlands inkomen genieten. Afhankelijk van de methode ter voorkoming van dubbele belasting werkt het tarief in de eerste schijf dan potentieel door in de belastingvrijstelling of verrekening die een inwoner ontvangt. Bij toepassing van de vrijstellingsmethode met progressievoorbehoud (evenredigheidsmethode) zou een verhoging van de eerste tariefschijf met gelijktijdige verhoging van de heffingskorting (conform het voorbeeld) in principe leiden tot een verlaging van de uiteindelijk verschuldigde belasting voor een inwoner. Dit aangezien de hogere inkomstenbelasting evenredig wordt toegerekend aan het buitenlandse inkomen, maar de heffingskorting – conform het De Groot-arrest – volledig moet worden afgetrokken van de belasting over het binnenlandse inkomen.
In Nederland is het tarief van de eerste schijf van de inkomstenbelasting in de periode 2011-2019 gestegen van 1,8% naar 9,0%. Het belastingdeel van de heffingskorting is in deze periode eveneens verhoogd. Dit heeft overigens mede te maken met de verlaging van het tarief van de premie volksverzekeringen die in deze periode heeft plaatsgevonden.
Het derde gebrek van de Schumacker-rechtspraak is dat die ertoe leidt dat grensoverschrijdende werknemers slechts in één lidstaat belastingvoordelen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie genieten (in beginsel de woonstaat), terwijl hun inkomen in meerdere staten wordt belast tegen het aldaar geldende tarief.
Dit leidt onder meer tot problemen in situaties waarin de woonstaat een proportioneel belastingtarief hanteert (een flat rate, zonder aftrekposten). In dat geval is het voordeel dat verbonden is met de persoonlijke en gezinssituatie mijns inziens verdisconteerd in het (lagere) belastingtarief, waardoor dit voordeel in beginsel slechts kan worden vergolden in de mate dat het wereldinkomen in de woonstaat effectief wordt belast.1 In situaties waarbij een substantieel deel van het inkomen in de woonstaat wordt verworven en slechts een beperkt deel van het inkomen in de werkstaat, zal het Hof van Justitie naar verwachting in beginsel echter geen Schumacker-situatie aannemen en de gevolgen als een dispariteit beschouwen.2 Aangezien er steeds meer (Oost-Europese) lidstaten zijn die een flat rate hanteren voor de inkomstenbelastingheffing3, komen de (onjuiste) uitgangspunten van de Schumacker-rechtspraak van het Hof ook met het oog daarop onder druk te staan. Het uitgangspunt dat de woonstaat de persoonlijke en gezinssituatie (volledig) in aanmerking neemt, is dan immers niet correct. Als gevolg hiervan kan het doel van voornoemde jurisprudentie in dergelijke situaties niet worden bereikt: de persoonlijke en gezinssituatie van de grensoverschrijdende werknemer wordt effectief niet ‘volledig en naar behoren in aanmerking genomen’.
Hoewel op het eerste gezicht wellicht geen probleem lijkt te bestaan indien de woonstaat de verminderingen in verband met de persoonlijke en gezinssituatie wel daadwerkelijk volledig verleent, ligt dit mijns inziens ook in dat geval anders. Door onderscheid te maken tussen subjectgebonden aftrekposten (in beginsel voorbehouden aan inwoners) en tarief (gelijk voor niet-inwoners) heeft het Hof van Justitie geen oog voor het feit dat een sterk verband bestaat tussen de hoogte van de (progressieve) belastingtarieven en de omvang van de facilteiten binnen een belastingstelsel. Wattel stelt in dit verband terecht dat tarief en grondslag communicerende vaten zijn.4 De samenhang van een belastingstelsel dat heft naar draagkracht wordt verbroken indien deze componenten asymmetrisch over verschillende lidstaten worden gespreid.5 Het behoeft geen betoog dat lidstaten die alleen een belastingvrije som kennen (en geen andere aftrekposten) een lager tarief kunnen hanteren om dezelfde belastingopbrengst te genereren. Omgekeerd zullen lidstaten die een verscheidenheid aan aftrekposten kennen, dit doorgaans compenseren met hogere (marginale) belastingtarieven. Tariefsverlagingen gaan hierdoor in de praktijk dan ook regelmatig samen met grondslagverbredingen (en vice versa).6
Door de Schumacker-jurisprudentie van het Hof van Justitie, die onderscheid maakt tussen belastingtarief en aftrekposten, ontstaat echter een mismatch die ervoor zorgt dat grensoverschrijdende werknemers niet naar hun volledige draagkracht worden belast. Als gevolg hiervan wordt onder de rechtspraak van het Hof in veel gevallen geen gelijkheid op de werkvloer bereikt. Een voorbeeld kan dit probleem illusteren.
Voorbeeld
Belastingplichtige X is woonachtig in staat A en heeft een arbeidsinkomen van € 100.000. Hij verdient hiervan € 50.000 in staat A en € 50.000 in staat B. De belastingvrije som in staat A bedraagt € 4.375. Het van toepassing zijnde belastingtarief in staat A is 40%. X is derhalve € 38.250 belasting verschuldigd in staat A over zijn belastbare inkomen vóór toepassing van de vermindering ter voorkoming van dubbele belasting voor het buitenlandse loon, die € 20.000 bedraagt ((50.000/95.625) × 38.250).7 X is per saldo derhalve € 18.250 verschuldigd in staat A (belastingdruk: 36,5%). Een inwoner van staat A die zijn volledige inkomen in staat A verwerft, zou een belastingdruk van 38,25% hebben. X heeft op basis van de jurisprudentie van het Hof van Justitie geen recht op de belastingvrije som in werkstaat B, die € 10.000 bedraagt. Het belastingtarief in staat B bedraagt 42,5%. X is derhalve € 21.250 belasting verschuldigd in staat B over zijn belastbare inkomen (belastingdruk: 42,5%). Voor een inwoner van staat B die zijn volledige inkomen in zijn woonstaat verwerft, zou de belastingdruk 38,25% bedragen.
In het voorbeeld hanteren beide staten een gelijke belastingdruk (van 38,25%) voor inwoners met een (binnenlands) inkomen van € 100.000. Dit is het effectieve tarief dat, althans in theorie, aansluit bij de fiscale draagkracht van deze belastingplichtigen. Wanneer een belastingplichtige echter grensoverschrijdend inkomen geniet, wordt de werking van deze systematiek verstoord. Dit komt door het feit dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie de samenhang tussen de belastbare grondslag en het belastingtarief negeert. Het Hof verplicht immers, in situaties zoals in het voorbeeld, de woonstaat om volledig rekening te houden met de persoonlijke en gezinssituatie (in het voorbeeld de belastingvrije som), terwijl de werkstaat dergelijke tegemoetkomingen niet-inwoners mag onthouden.8
Naar mijn oordeel accepteert het Hof van Justitie hiermee dat niet-inwoners door de werkstaat in beginsel worden gediscrimineerd, waarbij alleen in Schumacker-situaties een uitzondering geldt. Het vrije verkeer van werknemers verplicht echter tot een gelijke behandeling van gelijke gevallen. Zoals ik hiervoor heb betoogd, bevindt een niet-inwoner, zoals X in het voorbeeld, zich ten aanzien van de inaanmerkingneming van zijn persoonlijke en gezinssituatie in een vergelijkbare positie ten opzichte van een inwoner van staat B in de mate dat zijn arbeidsinkomen belastbaar is in die staat. Staat B zou daarom rekening moeten houden met de volledige fiscale draagkracht van deze niet-inwoner. Aldus heeft X in het bovenstaande voorbeeld dan ook effectief recht op de helft van de belastingvrije som in staat B.9 In tegenstelling tot het Hof van Justitie acht ik de woonstaat, staat A, slechts gehouden om de helft van deze basisaftrek te verlenen. Dat hierbij verschillen bestaan in het feitelijke belastingvoordeel in beide staten is mijns inziens niet bezwaarlijk. Integendeel, dit leidt tot de gewenste neutraliteit. Indien beide staten de helft van het belastingvoordeel verlenen dat verbonden is aan de belastingvrije som, zal het arbeidsinkomen namelijk in beide staten worden belast tegen hetzelfde effectieve tarief als in de desbetreffende staat geldt voor thuisblijvers. Mijns inziens past deze uitkomst aanzienlijk beter bij het Unierechtelijke beginsel van gelijke behandeling dan de uitwerking die het Hof van Justitie voorstaat.
De benadering van het Hof zorgt er immers voor dat grensoverschrijdende werknemers, afhankelijk van de omvang van de aftrekposten in de woon- en werkstaat, mogelijk aanzienlijk worden benadeeld (of bevoordeeld). In het hiervoor opgenomen voorbeeld is X, afhankelijk of hij woonachtig is in staat A of B, respectievelijk € 39.500 of € 37.000 aan belasting verschuldigd over zijn totale arbeidsinkomen.10 Mijns inziens zou de verschuldigde belasting in beide gevallen € 38.250 moeten bedragen.11 Het verschil, dat wordt veroorzaakt door het belastingvoordeel dat een belastingplichtige in zijn woonstaat verkrijgt (en wordt onthouden in de werkstaat), wordt binnen de Schumacker-doctrine van het Hof van Justitie echter – ten onrechte – beschouwd als een dispariteit.12 Aldus wordt arbeidimportneutraliteit derhalve niet gerealiseerd, terwijl voor bovenstaande situatie de oplossing om dit af te dwingen binnen de bevoegdheden van het Hof ligt (het gebod tot nationale behandeling door de werkstaat).
Het gevolg van het gemaakte onderscheid tussen grondslag en tarief is dat belastingstelsels met omvangrijke persoonlijke aftrekposten met daartegenover hoge en sterk progressieve tarieven doorgaans ‘onvriendelijker’ zijn voor niet-inwoners dan stelsels die weinig of geen aftrekken kennen en een vlak of nauwelijks progressief belastingtarief. Hierbij kan het aan inwoners voorbehouden van omvangrijke belastingvrije sommen en andere subjectgebonden belastingvoordelen (hetgeen is toegestaan) materieel tot een vergelijkbaar resultaat leiden als het hanteren van een hoger belastingtarief voor buitenlandse belastingplichtigen (hetgeen verboden is). Een voorbeeld ter illustratie als afsluiting van dit onderdeel.
Voorbeeld
Staat A hanteert een progressieve tariefstructuur (zie tabel). Binnenlandse belastingplichtigen zijn hierbij gerechtigd tot een heffingskorting van € 200.13 Hierdoor wordt effectief geen belasting geheven over de eerste € 10.000 aan inkomen. Buitenlandse belastingplichtigen zijn, conform de Schumacker-rechtspraak, in beginsel niet gerechtigd tot deze korting op de verschuldigde belasting. Effectief raakt het tarief in de eerste schijf hierdoor alleen niet-inwoners direct in de portefeuille.14
Inkomen
Tarief
0 – 10.000
2%
10.001 – 50.000
25%
50.001 –
30%
Staat A zou het tarief in de eerste schijf kunnen verhogen naar 20% (i.p.v. 2%) onder gelijktijdige verhoging van de heffingskorting naar € 2.000. Hierdoor zou de verschuldigde belasting voor niet-inwoners toenemen met € 1.800, terwijl voor inwoners geen lastenverzwaring optreedt. Binnen de benaderingswijze van het Hof van Justitie is dit echter niet discriminerend, aangezien voor de toepassing van dit belastingvoordeel geen sprake is van gelijke gevallen (behoudens Schumacker-situaties).15