Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/3.7.3
3.7.3 Neutraliteit
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS398838:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Toelichting op het voorstel voor een Tweede Richtlijn, onderdeel van zittingsdocumenten 51/1965-1966, blz. 12, de vijfde considerans van de Tweede Richtlijn en het zogenaamde ABC-rapport, blz. 30 en 31.
Kamer II, vergaderjaar 1995-1996, 24 466, nr. 3 (MvT), blz. 5.
Richtlijn 2008/8/EG.
Toelichting op het gewijzigd voorstel tot wijziging van de regels voor de plaats van levering van diensten, COM (2005), 334 def., blz. 14.
Naast de gedachte van heffing in het land van verbruik en de administratieve eenvoud heeft ook het neutraliteitsbeginsel, in de zin dat de regels voor de plaats van dienst de mededinging niet mogen verstoren, aandacht gekregen. Zo werd voor de diensten genoemd in bijlage B van de Tweede Richtlijn (besproken in paragraaf 3.7.2) een verplichte regeling voor de plaats van dienst voorgeschreven, omdat bij deze diensten uit onderzoek was gebleken dat de kostprijs van deze diensten werd doorberekend in de goederenprijzen. Destijds konden belastingplichtigen nog geen btw van een andere lidstaat terugvorderen. Het was dus van belang dat op deze diensten btw drukte van het land waar de goederenleveranciers waren gevestigd. Anders zou cumulatie van belasting ontstaan.1
Een ander goed voorbeeld waarin het neutraliteitsbeginsel aan de orde komt is dat van kop-staartvervoer. Vanaf 1996 tot en met 2009 werd kop-staartvervoer behandeld als intracommunautair goederenvervoer. Bij kop-staartvervoer gaat het om vervoer dat aan het intracommunautair goederenvervoer vooraf gaat of dat daarop volgt. Het gaat daarbij om vervoer dat binnen het grondgebied van een lidstaat plaatsvindt. Voordat kop-staartvervoer als intracommunautair goederenvervoer werd aangemerkt, werd deze dienst belast in het land waar het vervoer plaatsvond. Intracommunautair goederenvervoer daarentegen was belast in het land waar het vervoer aanvangt. Indien de afnemer een btw-identificatienummer verstrekte van een ander land dan het land van vertrek, vond heffing in het land plaats dat dat btw-identificatienummer aan deze afnemer had toegekend. De heffing werd daarbij verlegd naar de afnemer indien de dienstverrichter niet in het land dat het btw-identificatienummer heeft toegekend aan de afnemer was gevestigd. Omdat btw-heffing bij intracommunautair goederenvervoer kon worden verlegd en bij kop-staartvervoer heffing in het land waar het vervoer feitelijk geschiedt, plaatsvond, zou de afnemer kunnen overwegen het gehele traject door één vervoerder te laten verrichten. Heffing over het hele traject kon dan immers plaatsvinden in het land dat hem zijn btw-identificatienummer had toegekend. Ondernemers die alleen het kop- of staartvervoer verrichten, konden dus niet op gelijke wijze handelen als ondernemers die het gehele traject verzorgen. De Memorie van Toelichting geeft het volgende voorbeeld:
“Stel dat bijvoorbeeld een Engelse ondernemer goederen wil laten vervoeren van Rotterdam naar Marseille en een voorkeur heeft voor vervoer over het traject Rotterdam-Breda door een Nederlandse vervoerder en voor het traject Breda-Marseille door een Franse vervoerder. Het Frans bedrijf hoeft dan voor het (intracommunautaire) traject geen btw te berekenen aan de Engelse afnemer (de heffing wordt naar de afnemer verlegd), de Nederlandse ondernemer zou dat voor het Nederlandse traject Rotterdam-Breda wel moeten omdat het dan een binnenlands traject betreft. De Engelse ondernemer kan die belasting weliswaar terugvragen maar daarmee is zoals gezegd enige tijd gemoeid. Dit leidt tot een financieringsnadeel voor de Engelse afnemer hetgeen er op zijn beurt toe kan leiden dat het Engelse bedrijf het hele vervoer toewijst aan de Franse ondernemer.2”
Inmiddels is de regeling voor kop-staartvervoer niet meer nodig. Goederenvervoersdiensten aan belastingplichtigen worden met ingang van 1 januari 2010 belast in het land waar de afnemer is gevestigd.
Ook de wijziging van de regels voor telecommunicatiediensten en langs elektronische weg verrichte diensten en radio- en televisieomroepdiensten met ingang van 1 januari 20153 bevordert de neutraliteit. Op dit moment zijn alleen telecommunicatiediensten, langs elektronische weg verrichte diensten en radio- en televisieomroepdiensten van buiten de Unie gevestigde ondernemers aan niet-belastingplichtigen binnen de Unie belast in het land waar het werkelijke gebruik en werkelijke exploitatie van die diensten plaatsvindt (telecommunicatie en radio- en televisieomroepdiensten) of het land waar de niet-belastingplichtige woont of is gevestigd (langs elektronische weg verrichte diensten). Diensten die door binnen de Unie gevestigde dienstverrichters worden verricht aan niet-belastingplichtigen zijn belast daar waar de dienstverrichter is gevestigd. Indien een dienstverrichter uit Amerika een telecommunicatiedienst verricht aan een Nederlandse particulier vindt heffing dus in Nederland plaats, terwijl een dienst van een zelfde dienstverrichter uit Luxemburg belast is in Luxemburg. Met ingang van 1 januari 2015 gaat voor binnen de Unie gevestigde dienstverrichters dezelfde regeling gelden als voor buiten de Unie gevestigde dienstverrichters. Met ingang van 1 januari 2015 zijn dus zowel de Amerikaanse als de Luxemburgse dienstverrichter Nederlandse btw verschuldigd.4